Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hik. - ivy.

raakt; —bility (iritgbiliti), s. prikkelbaarheid, lichtgeraaktheid ; — ut {iritont). a. vernietigend, b. prikkelend middel ; — te, v. a. prikkelen, verbitteren ; —tiou (iriteti'n), s. prikkeling, verbittering; —tlve, —tory, a. prikkelend, verbitterend.

Irrupt ion iiiopi'n), s. inbraak, inval;—Ive, a. indringend, instortend.

I»ingla«a latzini/fd-"), *. vlscliiym ; — atone, mica, inoskoviscii glas.

lalaud (altend), s. eiland; the — (iale) of Man; the —a of the Blmt, het verblijf der gelukzaligen ; —er, s. eilander.

■«Ie (iait), s. eiland; —t, b. eilandje.

Inobnr (atz9bd), s. eene kanrtiyn getrokken over plaatsen m«*t gelijken barometerstand.

Ifeochromatic (aisihroumwtik), a. van gelijke kleur.

Isorhronona [itokran»»), gelijktijdig (van klokken h.v.).

Isolat e (atiileit), v. a. afzonderen; — e»l, a. afgezonderd; —ion [awleié'n), s. afzondering.

Isomeroua (aifom9T9»), met gelijk aantal deelen.

laouietrik (aisgmetrik), van gelijke maat,

■•ouiorphiaiii {u i*9tnÓ9/izm), vormgelijkheid (van krMallen).

Isoiiomy (aisoudmï), gelijkheid van wet en recht.

laotliermal [aicathAmal), met gelijke, gemiddelde warmte; — liuea. isothermen.

Iiiaiie (tsu), s. uitgang, uitweg. afloop, uitslag, uitkomst, uitstort ing.fistel, uitgifte, opbrengst, kroost, oir, geschilpunt, gevolgtrekking; at —, in geschil. the point at —. het geschilpunt; to Join — witli one, den strijd aanbinden met iemand; to Join —de beslissing overlaten aan de justitie; a new — (of the paper) wa» ralled for, een nieuwe oplagelder krant)werd vereischt;to die without —, kinderloos sterven; —, v. a. uilzenden, uitvaardigen, uitgeven, v. n. uitkomen, •springen, -stroomen, -vallen, afstammen, voortspruiten, eindigen: —lens. kinderloos.

lathmian Hstm'9ii) gaine», Korint!>che spelen.

Intluiiiis (tutnijg, izinss), s. landengte.

■« (<o. pr, het, hij, hem, zij, haar, er; to cab

—, per cab gaan ; to foot —, te voet gaan; to lord — over.den baas spelen, beheerschen; have a gootl time of —. het goed hebben; to takt» — Into oue'a li«>ad,het in z\jn hoofd halen; I take —, ik houd het er voor; I will take — out of him. ik zal hem er wel van geuezen, ik zal het hem wel afleeren; there'a an end of —! daarmee uitl — folio w« that. er volgt uit, dat . . . he will have to rouglt —, hij zal er zich door moeten worstelen; (go —» Billy! toe maar Will ie»

Italië (ittrlik), a. cursief; —a, pl. cursieve letters; the —m are hia. //ij cursiveert.

Italian iron, frizeerijzei ; Italian warehouaeiuan, verkooper van délicatessen, zooals fijne oliën, macaroni, etc.

Itrh (Ui), s. jeuking, schurft, hevige begeerte, b.v. au — for arribbliiigs —, v. n. jeuken; —ing. jeuken, verlangen; to have au — ing palm, omkoopbaar zijn;—y, a.jeukerig, schuritig.

Item, (af'tn), ad. insgelijks, evenzoo; —, s. artikel, post, wenk; the —a of a biII, de posten van eene rekening; au —man, een schrijver van (dagblad)artikeien ; —, v. a. opteekenen.

Itera ut (ftor^wf). herhalend; —te, v. a. herbalen; —tiou {i-9)'els'n), s. herhaling; —tive, a. herhalend.

Itinera ut (itiu9r*ut), a. rondtrekkend, s. reiziger: —ry. a. reizend, reis-, s. reiswijzer, rei-kaart; —te, v. n reizen, rondtrekken.

Ita pr. zijn, haar.

Itaelf pr. zich. zelf; by —, alleen;

in —, op zichzelf; it goes of— , het spreekt

vanzelf.

Ivied (atvul), a. met klimop bedekt.

Ivory latojri), s. ivoor, elpenbeen; The — Coaat, de Ivoorkust (van Guinea).to aliow oue'a ivoriea. (-cherts), zijn tand>*n laten zien; to waali oue'a ivoriea. (slang) drinken; —, a. ivore* ; —black, ivoorzwart.

Ivy (atvi), s. klimop; ground—. aardveil, St. Jankkruid ; tree—, boomveil; —berry, klim bes ; —miuitled, niet klimop begroeid; —owl, grijze uil; — reain, klimopharst.

J.

J (d£"i), 10de letter; Ja, Jaiiiea; J. A.,Joint account, gezamenlijke rekening; Jent., Jeault, Jezuïei; J, P., JunHcc of the Peare, Vrederechter; Jr., junior; Juat., juatice. rechter.

Jah, Jabble [d£tsb['l]), steken, herhaaldelijk steken.

Jabber {dztrb9), s. gekakel, gewauwel; —, v. n. kakelen, wauwelen; —er, s. wauwelaar.

Jacent {(Izets'nt), a. liggend.

Jack \d£<Bk), s. Jantje, kerel, vent, sluwe gast.

mannetje (van dieren), jonge snoek, schraag, braadspit, laarzen knecht, wervel, pin, dommekracht, kolder, lederen zak, • kruik, mikbal, wippertje, seinvlag; — aaa. ezel-, — boota, stijve laarzen, st vels; — by the herige, look zouder look, maa-depalni; — cliaiu, remketting; —duw. kauw, torenkraai; — Ketch, beul; — Pudding, hansworst; — aauce, wijsneus, onbeschaamde vent; -law, kraanzaag; — acrew, dommekracht; — «taflT, geuzenstok; —tar, pekbroek, matroos ; —

Sluiten