Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JES. - JOS.

on); —er, s. spotvogel, hofnar; —Ing, b. (het) schertsen; —Ingly, ad. schertsend, voor de grap.

Jeauit (dzezicit), s. Jezuïet; —Ie, —icnl (dzeztcitik'l), a. — ically, ad. jezuletiscl>. listig, sluw; —lam, s. leer (manier) der Jezuïeten; —'■•hurk, kinabast.

Jet(déet),s. git, waterstraal, vloeiing; —black. gitzwart; —, v. n. uitschieten, uitsteken, een.hooge borst zetten ;(u pon) in breuk maken op.

Jet miii (rfzetom);—nou. — tiaon rizetisgu , s. (het) over boord werpen, strandvond; — tee, —ty, s. uitstek, havendam; —ty, a. van git, als jrit; — ty-heml, havenhoofd.

Jew (dzü), s. jood ; —baitiiiK, dweepzieke jodenvervolging; —'a-ear, judasoor;—*»-frankincenae, jodenwierook (plant); —'«•harp. mondharp; —'••uiallow, jodenmaluw: —**pitch, jodenlijm; -pek; —'n-atoiic, jodensteen; to —(lowii, listig afdingen; clon't let them — jou down a a«»litary cent. laat u geen cent door hen afdingen.

Jcwel (dztial), s. juweel, kleinood; —box. juweelkistje; —houae,—office, koninklijke schatkamer; —, v. a. inet ju weden versieren ; —Ier, s. juwelier; — ry, s. juweelen; juweliersvak.

Jew eae (d£ikds), s. jodin ; —iah, a. joodsch; —ry» (het) Joodscbe land, jodenbuurt.

Jezebel (déezsbïl),&. onbeschaamd wijf (2 Kon. IX : 30).

Jib (d£il>), s. kluiver (zeil), kraanarm ; —boom. kluiverboom ; —guy, bakstak van den kluiver; —Ipon.kluiverring; — atay, boegspriettouw; —, v. a. op de andere zijde van den mast brengen.

JifTy (dzijl); in a —, in een wip. i

Jlg (dz'ni), s. hopsa, boerendans; —, v. n. dansen, huppelen; —ger,g. huppelaar, staartblok en schijf, biljartbok, ertszeef; — glah, n. huppelend ; —Jog, s. stoot, schok, sjolc-sjok.

•Jigot (dztgdt), s. bout, lendestuk.

Jifl (dzili, b. zie CSIII, —flipt, slet, sloerie.

Jllt (dzilt), s. coquette, behaagzieke; —, v.a. misleiden (een' minnaar), v. n. de coquette spelen.

Jlineraekery {dztmlcrakari), aardewerk, porcelein.

Jingl e Idztug'l), s. rijmelarij, gerinkink, v. n. rinkelen, rinkinken; —ing rhymca,rammelr\jmen; —Ing bella, rinkinkende belletjes.

Jlngo (dztngó), s oorlogzuchtige; by —! voor den duivel!; —laan, het gevoelen der Jingo's.

Jinka (dzin,ktr), s. grap; It'a high —,'i is een kostelijke grap; to be In higli - uitgelaten zijn.

Job [dzoub), s. Job ; —*a comforter, valsche trooster; aa poor aa —, zoo arm als Job.

Job (dzob), s. karwei, gewaagde onderneming, smoutwerk; by the —, by aanneming, bij het stuk; —, v. a. steken, stooten, v. n. bij aanneming (bij het stuk) werken, sjouwen, beunhazen; windhandel drijven; —ber, s. daglooner, sjouwer, beunbaas, speculant; — (ber)nowl, s. domkop; to do the — for one, iemand van kant maken.

Joekey (dzoki), s. rijknecht, paardentuiacher, bedrieger; —, ▼. a. bedriegeu.

Jocoae (d zou kous), a.; —ly, ad. schertsend, grappig; —neaa, s. grappigheid.

Jocular (dzokjuls), a.; —ly, ad. kortswyiig, snaaksch; —Ity s. vroolykheid, snaakschbeid.

Joeund idzoksnd), a. —ly, ad. vroolijk.blUde; —Ity (dz»/cnnditi), s. vroolijkheid.

Joe üliller, that's a —, dat's er een uit den

„Enkhuizer."

Jog (dzoff), s. stootje, schok, bezwaar;—trot, b. sukkeldraf; —trot routine, slendergang; —, a. sukkelend; —, v. a. horten, aanstooten, v. n. sjokken, (on) voortsukkelen;—ger. s. sukkelaar, slenderaar.

Joggle [dzog'l), v. a. schudden, hutselen, ▼. n. drentelen, strompelen, waggelen, schudden.

John (dzon), s. Jan; kerel, vent, kinkel; — a-

^ dreanta, droomer; —apple, paradijsappel; — Buil, het Engelsche volk ; — Dory,soort van goudvisch; soft —ny, sul, droomer.

Join (dzoin), v. a. samenvoegen, verbinden (with), toevoegen (to): to — hattle, handgemeen worden; to — intereat. gemeene zaak maken; to —aworda, de degens kruisen; —, v. n. belenden (to), zich vereenigen, instemmen, (in) deelnemen aan; —der, s. samenvoeging, vereeniging; —er, s. schrijnwerker; —ery, s. schrijnwerk; —ing, s. samenvoeging, scharnier, voeg.

Joint Ufzoint), s. gewricht, gelid, scharnier, knobbel, bout; out of —, uit het lid; to put one'i nose «ut of —, iemand een toontje lager stemmen; —, a. vereenigd, gemeenschappelijk; —buaitieaa, compagnieschap; — lieir, medeërfgenaam; —atock, maatschappelijk kapitaal;—atock couipany. maatschappij in aandeelen; - triool, vouwstoel; —, v. a. samenvoegen, ontleden; —er. s. ploegschaaf; —lens, a. zonder geledingen; —ly, ad. gezamenlijk ; encli for the other —ly and aeparately, (rechtst.) allen voor één en één voor allen, solidair; — reaa, s. bezitster van een weduwgoed; —ure, s. weduwiroed.

Joiat (dzoiët), s. dwarsbalk, rib; —, v. a. met balken (ribben) voorzien.

Jok e (dzouk), «. scherts, kwinkslag; to play one a practical —e, iemand een ondeugende poets spelen; —e, v. a. voor den gek houden, ▼. n. schertsen (at, upon); —er. s. schertser, boerter; —ingly, ad. schertsend; —ing apart.now, scherts terzijde nu (zonder gekheid).

Jole (dzonl), s. wang, koon, kop (van een visch); check by —, dichtbij, vertrouwelijk.

Joll y (dzoli), a. —ily, ad. vroolijk, lustig; —Inesa, —ity, s. vroolükheid, pret; —vboat, jol. ' 9

Jolt (dzoult), s. stoot, gehots; —head, botterik; —, v. a. & n. stooten, hotsen.

Jonathan (dzauathan), s. brother —, het Amerikaansche volk.

Jonquille (d£o){kwil), s. tijloos, jonquille.

Joatle [dzog'l), v. a. met den elleboog stooten.

Sluiten