Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LEA. —

LEO.

heerschen, bewegen, verleiden; to — astray, op een dwaalspoor brengen; to — to the nltar, (fig.) trouwen met; to — by the none. (fig.) 1>U den neus leiden; to — oiie m pretty dance, iemand onnoodigen last veroorzaken : to — oflT n dnnce. een dans openen, beginnen; —er,s. leider, aanvoerder, voorganger.

■.fading (lidh\), s. leiding, bestuur; —, a. leidend, eerste, voorste, voornaamste;—article. hoofdartikel; —cnrd, eerst opgespeelde kaart; — hand, voorhand; —liorse, zadelpaard; —mm», voorganger, aanvoerder; — strings, leiband ; to be «laiisliiig at oiie'i iiiothcr'it — strings (aproii-strings), aan den lei hand zijner moeder loopen.

I.eaf (lif), s. blad, vleugel; to turn over a new —. een nieuw leven beginnen ; to take a — out of anotlier's book. iemand in zeker opzicht navolgen; two-leaved tahlc, intrektafel met twee bladen; —brass, bladkoper, klatergoud; — buil, bladknop ; — gold. bladgoud; —-loose. bladluis; —•netal. klatergoud; —-sil ver, bladzilver;—• ■talk, bladsteel: —, v. n. bladeren krijgen; —age, s. gebladerte, loof;—ed.a.gebladerd; —Ie»», a. bladerloos; —Iet, s. blaadje; —, a. bladerrijk.

V.<eague (ftfj), s. verbond, mijl (Fransche zeemijl = *ƒ20 gr. = lu.); «even-—boots.zevenmijlslaarzen (fig.); —, v. n. eeu verbond sluiten • —r, s. bondgenoot.

I.eak (Wc), s. lek; to spring a —, lek worden ; to stop a —, een lek stoppen; —,v. a. laten uitlekken, v. n. lekken; to — out, (fig.) ruchtbaar worden; — age, s. lekkage; —y, a. lek, babbelachtig.

V.eaui (lim), s. koppelband (voor jachthonden); —er, s. lei-, speurhond.

V.ean (fin), a. —ly, ad. mager, schraal, dor, armzalig; a —essay («li»»ei'tation), een magere (onbeduidende) verhandeling; —, 8. (het) magere (aan vleesch); —nc»«,s.magerheid, schraalheid.

■.eau, v. a. doen leunen, v. n. leunen, steunen (on. upon); overhellen, neigen (to); to — back. achteroverleunen ; the — ing tower of l*lsa, de scheeve toren van Pisa; —ingstaff. kruk; —stock, stut, steun.

V.eap (Vip), s. sprong, bespringing; at a —, met één sprong; by —• and boutids. zeer snel en plotseling; —frog. haasje-over (spel); —y«ar, schrikkeljaar; —, v.a. overspringen, bespringen, v. n. springen; to — for Joy, van vreugde opspringen; —er, s. springer; —ing'pole, polsstok.

f'eam \lvn), v. a. & n. leeren, vernemen; — ed, a. —edly, ad. geleerd, kundig; —er, s. leerling; —Ing, s. geleerdheid,bedrevenheid.

V^eaaable (lissb'l), a. verhuurbaar.

Vjeane (Ixs), 8. huur*, pacht-contract, huur, pacht; to take on —, in pacht nemen; long—, pacht op langen termijn; the — la out, de huur (pacht) is verstreken; ahe seeina to take a new — of her life, zij schijnt weer op te leven; to let by —,ver¬

huren, verpachten; —hold, a. gehuurd, gepacht, s. pachtgoed; —holder, pachter; —, v. a. verpachten, verhuren.

V<ease (liz), v. n. nalezen, inzamelen; —r, 8. nalezer, naoogster.

f.eanh (IxSI, s. leis, koppel, riem, drietal; lie kept hia dog In a —, hij hield zijn hond vast aan een touw; a — of liounda, een koppel (drie) jachthonden; —, v. a. binden, koppelen.

V.east dut), a. kleinste, minste; —,ad. minst; at —, ten minste; nat in the —, in het geheel niet; last. not —. het laatst, maar niet het minste; (the) — said.(the) soonest nicmled. spreken is zilver, zwijgen is goud; hoe minder woorden, hoe befi«r.

V.eather (/etlid), s. leder; all the rest Is — prunello, al het overige is van pjen belang: to cut tlionga out of another maii's —, riemen van een ander mans leer snijden; 9Iaroc<-o —, .Marokijn leder; rough —, ruw (ongelooid) leder; tainied—, ongelooid leer; .saturated —. vet leer; dubbed (curried) —, bereid led^r; dressing—, Deensch leder; upper—, bovenleer; —, a. lederen; —dresser, lederbereider, leertouwer; —seller, lederkooper; — sliug. riem; —stuiiips, (teek nen) doezelaar; —. v. a. afranselen; —n, a. lederen; —y, a. lederachtig, taai.

V^eave (liv), s. verlof, vergunning, afscheid; to take Freitch —.(zie French); by your —, met uw verlof; 1 heg — to iiiforui you, ik neem de vrijheid u mee te deelen; to be absent on —, met verlof afwezig zijn; to get — of absence, verlof krijgen.

I.e«ve (Itv), v. a. verlaten, laten, nalaten; (otl*) staken, ophouden, laten varen; (out) uit-, weglaten, verzuimen : to — no stone uiiturned. hemel en aarde bewegen; — me alone!. laat mij maar begaan! ; — mealone for tliat!. laat dat muar aan mij over; to — in the lurch, in den steek laten; to — one out lu the cold. (fig.) iemand in zijn hemd laten staan, verwaarloozen; —, v. n. ophouden, aflaten; — <1, a. gebladerd.

V^eaven (lev'n), 6. zuurdeeg; —, v. n. doen vijzen, doordringen, besmetten; —ed bread, Fransch brood, gerezen brood.

E.eavings (livinz), pl. overblijfsels, uitschot, kliekje.

V^eclier (fetia), s. lichtmis, boeleerder; —, v. n. ontuchtig leven; -om, n. —oualy, ad. wellustig, ontuchtig; — ousneas, — y, 8. geilheid, wellust, ontucht.

I^ection (leké'n), s. lezing, voorlezing;—ary, s. voorleesboek (uit de H. S.).

I^ecture (/ektja), s. lezing, voorlezing, strafpreek; —, v. a. onderrichten, de les lezen (for, over); v. n. voorlezingen houden (on); —r, s. voorlezer, lector, hulpprediker; — ship, 8. voorlezer-, lectorschap, ambt van hulpprediker.

I^ecturn, I^ectern (lekt&n), s. lessenaar, lezenaar.

f.ed {led), part, geleid; —captain, pluim-

Sluiten