Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LEI'. — LIK.

I.epronity (liproiti), s, melaatschheid.

I.eiir osy {leprjsi), s. melaatschlieid; -oui, a. melaatscli, schurftig; -oumeii, s. me* laatschheid, schurft.

I,esiou (.ü'm). s. kwetsing, letsel.

|.e*i {le*), a. kleiner; —, ad. minder.

V-essee (le*i), s. huurder, pachter.

lianen, (/«»*«), v. a. & n. verminderen.

I^mer, (feta), a. kleiner, minder; — Asla, KleinAzië; tl»© — l'rophets, de Kleine Profeten; t!»e — poets, baron» etc., do kleinere (minder belangrijke) dichters, baronnen enz.

Lesson (let'n), s. les, voorlezing, berisping; —, v. a. onderwijzen, les geven.

■^essor (lesa), s. verpachter, verhuurder.

Lest (lest), conj. opdat niet, uit vrees dat.

Let (let), s. beietsel, verhindering.

Let {let), v. a. laten, toelaten, verhuren, verpachten, verleenen; to —, to be —«te huur;

— aloiie, laat staan, met vrede laten, daargelaten ; to — blootl, aderlaten; to —the cat out of the bug, alles verklappen; to

— fly (or ilrive), loslaten; — tliat paw, spreek er maar niet verder over; — 150! strijk! «o — fnll, strijken; to — loose, loslaten; (upon), (ilowii) af-, neerlaten; (in, into), binnen-, inlaten, inlasschen; (off) afschieten; (at) laten gaan; (out) verhuren, uitleenen, uitlaten; to — to use, op interest zetten;—, v. n. zich onthouden.

Letch (letS), s. loo>rkuip; —, v. a. doorzijgen.

Voetbal [tithal), a. doodelijk.

Letharg ic (lithüilzik), a. slaapzuchtig; —y (lethadzi), s. slaapziekte, verdoovin*; to fall Into a —y, in slaapziekte vervallen.

Letli e [Uthx), s. Lethe (rivier), vergetelheid; —eau (lithian), a. vergetelheid veroorzakend; —iferoiia. a. doodelyk.

Vletter (l»ta), s. verhuurder, letter, brief; —s, pl. letterkunde, letteren; to the —, woordelijk, precies; black —, Gotische letter; dead —, onbestelbare brief; —bag, brievenzak; —balance. brievenwetjer; —box, brievenbus ; —bearer, —carrier, brievenbesteller; —enne, brieventnsch, -doos, letterkast; —fouiader, lettergieter; —learned, boekgeleerd; — learuiiig, boeki?eleerdheid; — paper, postpapier; —pres», letterdruk, drukpers; —presser, brievendekker; — sorter, brievenuitzoeker; — of attorney. volmacht;

— of credit, kredietbrief; — of marqué, kaperbrief; — of safe couduct, briet van vrijgeleide; — s-pateut (of grant). octrooi, patent; » uiau of —s, een letterkundige.

Vletter (feta), v. a. met letters merken;—ed, a. geletterd, geleerd; —In •, s. (het) merken met letters; — less, a. ongeletterd, ongeleerd.

Vjettuce (leti*), s. latuw, dunsel.

Levant (lavtrut), a. Oostersch; —, s. -Levant; —er, s. oostenwind; —ine, a. Levantsch ; to — with a siiiii of money, er van doorgaan met een som gelds.

I.evee (levi), s. (het) opstaan, ochtendbezoek, morgenreceptie (aan het hof).

Level (letfl), a. gelijk, vlak, waterpas (with).

gsëvenredigd (to/i —, «. vlak, waterpas, pas* lood, richtsnoer, maatstaf, peil; 011 a —, gelijkvloers; —, v. a. gelijk (vlak, waterpas) maken, gelijk stellen (with), richten (at); —, v. n. (at) mikken, doelen, streven, (with) overeenkomen; —Ier,s. gelijkmaker; —Huk, s. nivelleering; —ness, s. vlak-, etrenheld, gelijkheid; to have oue's head —, verstandig zijn; to do oue's — best, zyn uiterste best doen; to keep — with, op de hoogte blijven van (de wetenschap b.v.); to be —led with the ground. geslecht (met den grond gelijk gemaakt; worden.

Viever (Hva), s. hefboom, échappement (in een horloge).

Leveret (levaraf). s. haasje.

I.eviahle [levjebl), a. hel baar.

Leviathan ttevaljfhan), s. leviathan.

Leviga te (leviueit), v. a. glad-, lenig maken, tot poeder wrijven; —tion (levigeté'n), 8. (het) gladmaken, lijn wrijven.

Levitation (leciteié'n), s. verlichting, lichtheid.

Levit e (limit), s. Leviet, priester; —Ical (lavttih'i), a. levitisch, priesterlijk; —leus, s. Leviticus, derde boek van Mozes.

Levity (leviti), s. lichtheid, lichtzinnigheid, wuftheid.

Levy (levi), s. werving, heffing; a — In inass, levée en masse, algemeene mobilisatie van troepen; —, lichten, werven, heffen; to —a war, een' oorlog beginnen.

Lewd (Ijüd), a. — ly, ad. liederlijk, ontuchtig; —nes*, liederlijkheid, ongebondenheid.

Lexic al (leksik'!), a. van een woordenboek; —ographer {lek*iko<ir*fa), s. woordenboekschrijver; —ograplilc (le!cfikO[jra'fik). a.het schrijven van een woordenboek betre(Tend; —ography (leksikojrafi), s. het schrijven van een woordenboek; —ology(lekêikolailzi), s. woordenkennis; —011, s. woordenboek.

Leyden-Jar (latd'n-dzd), s. leid*che flesch.

Lla ble ilatab'l), a. onderhevig, blootgesteld, onderworpen (to); verantwoordelijk (for); —bllity (taiabMti), — bleitess,s. onderhevigheid (to); verantwoordelijkheid, verplichting (for); — bilities, te kort, schulden, passiva.

■dar {lat)), s. leugenaar : show me a — and ■'II show you a thlef, wie liegt,steelt ook.

Libation •laibets'n), s. plen otl'er.

; Libel ilatbal), s. schot-, schimpschrift, aanklacht; —, v. a. in geschrifte belasteren, schriftelijk aanklagen; —ler,s. paskwilschrijver; —lous. a. lasterlijk, eerroovend. ; Liliera I (Itbaral), a.; — lly, ad. mild (of, met); vrij, vrijzinnig, fatsoenlijk, edel, grootmoedig; — arts. vrije kunsten ; — Ham, s. vrij/.innige beginselen; —lity (libarmliti), s. mildheid, fatsoenlijkheid, grootmoedigheid; —te, v. a. bevrijden; —tion (libareii'n), 8. , bevrijding; —tor (Hbareita), s. bevrijder.

Libert Ine 'Hbatin), a. losbandig, vrijdenkend, b. lichtmis, vrijgeest; —liiism, s. ongebondenheid, vrijdenkerij; —y» s. vrijheid, vrijdom; I at —, in vrijheid, vrij.

Sluiten