Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LOO. — LOU.

tot; — «bout you, pas op. geef je oogen den kost; it Is like —ing for a needle in a liay-stnck, 't is zoeken naar een speld in een voer hooi; to — sliarp (alive). vlui? zyn, snel handelen; to — after. scherp toezien op; to — blue, op z'n neus kijken ;to

— «Intern at a peraon, iemand woedend aankeken; to — np, rijzen (van prUzen, handelsartikelen), beter worden (van't weer); to —in upou a neraon,by iemand famieljaar aanloopen; tliat'a your — out, dat's uw zaak; zóó bekijkt «rij het; to — forwartl to. met verlangen tegemoet zien; to

— tlirougli colouretl apectaclea, door een gekleurden bril zien.

l.ook er (luk»), s. kyker; —er-on, s. toeschouwer; —ing-glaaa, spiegel; —man, man op den uitkyk ; —out. n. uitkijk.

I.oom (liiin), a. zucht; — Kale, zachte bries; —, s. weefgetouw, huisraad, meerkoet, handvat (eener roeispaan); —, v. n. zichtbaar worden, schynen, opdoemen; —Ing, s. voorkomen in de verte, schyn, opdoeininir.

I.ooii (/mm), s. schurk, schavuit, duikereend ; as crazy aa a —, zoo gek als een weerhaan; aa wild aa a —, zoo wild als een kraai.

l<oop (/«ƒ>), s. lus, strik; —hole, kyiigat, schietgat, uitvlucht; —lace, passement; — ed, a. vol lussen.

Viooae (lü*), s. losheid, vrijheid; to glve tlie

— to, botvieren, den vryen teugel laten aan;

ad. los, slap, onachtzaam; onsamenhandend; loslyvig, losbandig; to play faat and —, uitvluchten zoeken of te haat nemen; te kwader trouw handelen; — coah. klein geld ; —condiict.losbsind'g gedrag; — gown. slaapjapon; —grained. krachteloos;— liuil»ed, vlutr, ongedwongen; —atrife, wederik.

Viooae [lus), v. a. losmaken, slaken, vieren, ontslaan, bevryden ; —, v. n. het anker lichten ; — neaa, s. losheid, slapheid, loslijvigheid, losbandigheid.

Ijooaen (/»«#•«), v. a. losmaken, open ïyf maken, bevryden, v. n. losgaan, losraken.

■ioover (IÜV9), s. luik, dakvenster; —hole, luchtgat,

I.op (lop),s. snoeisel, snoeihout; —,v.a. snoeien, toppen, laten vallen; —-eared, met hangende ooren; —per.s.boomsnoeier; — ping», pl. snoeisel, snoeihout.

Ijoquaci oua (tektcetës»), a. praatachtig; —ouaueaa, —ty (loukictJtsiti), s. praatachtigheid.

l..ord [Ifod), s. vorst, heerscher, heer, opperste, meester. Opperwezen, gemaal, echtgenoot, lord. pair, baron; a — of creation. (scherts) een man; —of the maiioi*.ambachtsheer ; — of the year, regeerende planeet; —'a day. dag des Heeren ; the —'a ■"rayer, het Onze Vader-, the — Chancellor, de Lord Kanselier ; the — Mayor, de burgemeester van Londen ; the — *a Supper, het Heilige Avondmaal; day of the —, jongste gericht; —, v. a. tot lord verheffen; v. n. heerschen, den heer spelen; he —ed it over nll the boya, hy speelde den baas

over al de jongens; —like, — ly, a. lordachtig, voornaam, gebiedend, trotsch; — llneaa, s. voornaamheid, deftigheid, trots; —Mus, s. heertje; — ahip, s. lordschap, heerlijkheid, gebied.

V«ore (IÓ9), s. kennis, kunde, onderricht, geleerdheid.

Lori cate (lorikeit), v. a. pantseren, overtrekken; bepleisteren; —cation, s. pantsering, overtrekking, bepleistering; —uier, s. zadelmaker; —ot, s. wielewaal, specht.

Ijorii (lótn), a. verloren, verlaten.

Ijosahie (ïikzabl), a. verliesbaar.

l.*oa • (lüz), v. a. verliezen, verbeuren, kwyt raken; v. n. afnemen, verminderen; to— one'a debta, onbetaald biyven; to — heart, den moed verliezen; to —tlie day, verslagen worden ; een nederlaag lyden; to

— raste. zijnen rang in de maatschappy verliezen; to — one'a liead, den kluts kwytraken; to — fleah, vermageren, lichter worden; to — one'a way, verdwalen; to

— sound inga. geen grond voelen; to — one'a aelf, van zyn stuk gebracht worden ; to — aight of, uit het gezicht verliezen; —er, s. verliezer; — Ing, a. verlies veroorzakend, verliezend; a —ing gaiue, een spel zonder hoop om te winnen.

V^oaa, (lot), s. verlies, schade, nadeel; at a —, in verlegenheid.

Vjoat (lont), n. verloren (to, voor), weg; to be — to all aenae of hoitour, alle eergevoel kwyt zyn; verspild (on. aan); good counael waa — upon hiui, goede raad was aan hem verkwist; —, vergaan, gebleven (van schepen).

I-ot (lot), s. lot, aandeel, party, kaveling; it feil to your —, het viel u ten deel; a — of applea, 'n massa appels ; —a of room. een heele boel ruimte; —a of moitey, heel veel geld ; to pay acot and —, schot en lot betalen; by — a.bij lotinir.to vaat (draw) —a. loten;—, v. a. toedeelen; verdeelen.

V.ote (fout), lotua, lotoa (loutas), s. lotus; —tree, lotusboom.

lotion (lousn), s. wassching, waschmiddel.

■jottery (lotari), s. loterij ; —ticket, loterijbriefje.

I.otto (lotÓ), s. kienspel.

■..oud (land), a. — ly, ad. luid, luidruchtig; —coloura, schreeuwende, opzichtige kleuren; —neaa, s. luiheid, luidruchtigheid.

f.ough i fok), s. meer, poel.

I^oung e (lauiidz), v. n. lanterfanten, luieren, (about) rondslenteren; (away, out) verbeuzelen: —er, s. lanterfanter, straatsiyper; —Ing, a. lanterfantend, geschikt voor luiaards; s. (het) slenteren, lanterfanten; a lounge, een sofa met rug aau ééne zijde; —claair, praatstoel.

Ijouae (latu), s. luis; —wort, luiskruid.

I^oua e (lauz), v. a. luizen; — ineaa. 8. luizigheid, gemeenheid; —ily, ad. —y, a. luizig, gemeen.

V'Out (laut), 8. boerenkinkel, vlegel; — iali, a. —lahly, ad. plomp, boersch.

Sluiten