Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MAG. — MAK.

Maguesla [magniia), s. magnesia.

Mugnet (margudt), s. magneet, zeilsteen; —lc« —ical [msguetik). a. magnetisch, aantrekkend; —Ic-needlc, magneetnaald; —ic poli**, magneet polen; —ic telegrnph, electrieche telegraaf; —icalness. s. magnetische gesteldheid; — ic», pl. wetenschap van het magnetisme; — ism, m. magnetisme; —Ize (mtrgnataiz), v. a. & n. magnetisch maken (worden).

Magitifli»ble(m<e0n//afd&/),a. pryzens waardig, vergrootbaar.

Maguific [mogvtfilc)', —al, a. heerlyk, prachtig; —ence (maimifisjnt), s. pracht, luister; —ent. a. — ently, ad. prachtig, heerlyk, prachtlievend.

Magnif iep (mtrgnifai9), s. vergrooter, pryzer, vergrootglas (— — ying glass); —y [mtrgnifai), v. a. vergrooten, overdrijven, prijzen, opvijzelen.

Magniloquen ce (magnthkwam), s. groot- > spraak, snoeverij; —t, a. grootsprekend, [ snoevend.

Magnitude {mtrgnitjud), s. grootte, grootheid.

Magpie (mtegpai), s. ekster, ook Magotpie. j

Mahogany (mahogani), 8. mahoniehout.

Maliouietaii (ma' oniat»)i), a Mahomedaansch; ' —, s. Mahumedaan; — ism, s. leer van Mahomed. ,

Maid (meid), s. jonge dochter, meisje, maaird, ▼raster, dienstmaagd; — nf honoiir. hofdame ; — of «II work, meid alleen ; —cliild, ! meisje; —imiriaii', s. moort-ndaus, Meikoningin; —servant, dienstmaagd.

Malden (meid'n), a. maagdelijk, ongehuwd, rein, ongerept, vlekkeloos, nieuw, ongebruikt; —, s. jonge dochter, meisje, maagd, vrijster, waschkuip; —anize, vierschaar die nog geeu doodvonnis heelt geveld ; — aunt, onirehuwde tante; — fortress, ongenomen vesting; — hnir, vrouwenhaar, steenruit; —head, — hond, s. maagdom, maagdelijkheid;—like, maatrdelijk, zedig; — liuess.s. maagdelijkheid, zedigheid; —lip, kleelkruid; — ■iaane.de eigen naam eener getrouwde vrouw; —plum, maagdenpruim; —sinter, ongehuwde zuster; — speech, eerste redevoering; — • •word, ongebruikt zwaard; —wort, maagdenkru ld.

Mail (meil), s. pantser, malie.brievenmaal,-post, ! rente, vlek; —cart, po^tkar, sportkar;—clad, bepantserd; — coach, postwagen; —day. postdag; —, v. a. bepantseren ; —able.a.per post te verzenden; —ed, a. met een maliënkolder.

Maim (meim), b. verminking, verlamming, benadeeling, letsel, gebrekkigheid; —, v. a. verminken; — edneu, s. veiminktheid.

Main (mein), s. (het) voornaamste, hoofddeel, macht, geweld, oceaan, wereldzee, vasteland, pakmand, worp, weddenschap; in (on) the —, over het geheel, in hoofdzaak ; atreet—s, straatbuizen.

Mn!» (mein), a. voornaamste, hoofd-; —body, ' gros (van en leger); —boom, zeilboom, i giek; —bowllne, groote boeglijn ; — braces, 1

groote brassen; — business, hoofdzaak, -vak; the —chance, No. 1 (zie C'hance); —

clianiiel, grootrust; —deck, hoofddek; — fear. groot kardeel; —guard, hoofdwacht; —Iiatchway, grootluik ;—keel. vuste kiel; —land, vasteland; —llfta. groote toppenants; —liuea and brancli linea of a railway, hoofd- en zijlijnen van een spoorweg; —maat, groote mast; —pipe, hoofdhuis, stoompijp; —post, achtersteven; —preventer-stay, groote looze stag; —sall. schooverzeil, groot zeil; —aea, volle zee; —sheet, groote schoot; —shrouds, pl. groot want; — slide, groote schuifspier; —sprlt. groote spriet; —atay, groote stae ; — stay-sail, groot stenge stagzeil ; —tack.groote hals; — tackle-pendent, hanger aan den grooten mast; —top, groote mars, (zie heneden); —yard. groote ra.

Main ly (metnli), ad. hoofdzakelijk, grootendeels; —pernable, a. als borg toe te laten; —pernor, s. borg, borgtocht; —prize, s. vrijlating tegen borgstelling; v.a. tegen borgstelling doen ontslaan.

Maintain (mgufetn), v. a. handhaven, in stand houden,onderhouden, staande houden; —able, a. houdbaar, verdedigbaar; —er,s.handhaver, onderhouder, beweerder.

Maintenance (metutau'ns), s. onderhond, handhaving, verdediging; the Cap of —, de pelsmuts (staatsiemuts, baret) van den Lord Mayor, by zijne installatie enz. gedragen.

Malntop (mrtntop), 8. groote mars.

Maiutop-gallaiit [meintop<nrhvt), —mast, s. groote bramsteng; —rnyal-mnst,s.groote bovenbramsteng; —royal-sail, s. groot bovenbramzeil; — royal-slirouds, pl. groot bovenbramstengewaut; —royal«yard, §. groote bovenbramra; —sall, s. groot bramzeil; —olirouds, pl. groot bramstengewant; —yard, s. groote bratnra.

Main'tnp-mast (meintopmsBt), s. groote steng; —shrouds, pl. groot stengewant; —staysail. s. groot steengestairzeil.

Maiutop, — sail, s. groot marszeil;-sallyard, s. groote topzeilra; —yard, groote marszeilra.

Maiu-try-sail-gaff, s. stormgafTel aan den

grooten mast.

Maln-yard (metnjdd), s. groote ra.

Maize (meiz), s. maïs, Turk^che tarwe.

Mi\|est ie (msdéeftilc), —Ical, a. — ically, ad. majestueus, verheven; — icalness, s.(het) majestueuse, verhevene; —y (maidzasti), s. majesteit, verhevenheid.

Major (meirizj), a. grooter, meerderjarig; —, 8. grootere, oudere, meerderjarige, majoor; in the — key, in majeur (muziek).vrooltyk; the — part, het grootste deel: drum—, tamboer-majoor; sergeant-—, sergeant-majoor; —domo,s.opperliofmee8ter; — general, generaal-majoor; — premiss, hoofdpremisae; —Ity (mjdzoriti), s. meerderheid, meerderjarigheid ; majoorschap.

Make (meik), s. vorm, gedaante, maaksel; the — of a coat, de snit (snede) van een

Sluiten