Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MAN. — MAR.

vaardigen, verwerken, v. n. zich met fabriekarbeid bezighouden; a — uring district, een fabrieksdistrict; a — uring town, een fabrieksstad; — urer (mienju/ar/ctjur9), s. fabrikant.

Manu mlaaion (meenjtimiS'n), s. vrijmaking, vrijlating; —iiilt (rruenjumtt), v. a. vrijmaken, vrijlaten.

Manur abl« (meenjikrgbl), a. bebouwbaar, bemestbar; — e (ui9Hjik9), s. mest, v. a. bemesten, bebouwen; —«ment, s. bemesting, bebouwing; —er, s. beinester.

Manuscript (ma?n»tkript), a. in handschrift; —, s. ban Ischrift.

Many (ment), a. menig, veel; — a one, menigeen; —, s. menigte; —coloured, veelkleurig; —cornered.veelhoekig; — Itcaded, veellioofdig; —aided, veelzijdig; — times, ad. dikwijls; *0 — men, eo —minda, zooveel hoofden, zooveel zinnen.

Map (map), s. kaart, landkaart; —, v. a. in kaart brengen.

Maple (metp'l), s. ahornboom, eschdoorn.

Mapping (tutrpin,), s. liet kaartenteekenen.

Mar (ma , v. a. bederven, beschadigen ;—rer, bederver, beschadiger; a —all (—plot;, spelbederver, bemoeial.

Maraamua (marcrsnus), s. uittering.

.Maraud (m<ród), v. n. stroopen, vrijbuiten; —er, s. strooper, vrijbuiter; —ing, s. strooperü, strooptocht.

Marble Imab'l), a. marmeren; —-, s. marmer, knikker; to «lioot (to play at) -1, knilckeren; —cutter, marmerslijper; — liearted, hardvochtig; —quarry, marmergroef; — «lab, marmeren plaat; —, v. a. manneren.

March (mat*), s. Maart, Lentemaand, marsch, tocht, aantocht; as niad aa a —hare (zie Mail); to atcal a — upou 011e, een dagmarscli winnen op; (fig.) iemand een vlieg afvangen; order of —, marschorder,-route; —, v. a. doen oprukken, v. n. marcheer»»», oprukken; —er, s. grensopzichter; —ca, pi. grenzen.

Marehioueaa (masi91191), s. markiezin.

Mare (mé»), s. merrie; —colt, merrieveulen; a —'a nest, (fig.) een fopperij,mystificatie.

Margar Jc (nuujarrik), a. —acid, parelzuur; —Ite, s. parel

Margin (maclzïn), s. rand, kant, oever; —, v. a. op den rand schrijven, randeu; —al, a. op den kant geschreven (b. v. —al noten, kantteekeniiigen); — ated, a. met een' rand of kaut.

Margrav e (magreiv), e. markgraaf; —iate (mdj/relvi9t), s. markgraafschap; —ine (méiffi'»pSm)« s. markgravin.

Marigold (marriyould), s. goudsbloem; corn (wild) —, wilde anjelier; marah—, water* i lelie, anjelier ; -window, rond kerkraam.

Mariuate (mmrineit), v. a. inzouten, marineeren (van visch).

Marine (m*rin), s. marine, marinier,zeemacht; —, a. van het zeewezen, zee-; — chart, zeekaart; —engagement, zeegevecht;—Insurance, zee-assurantie; —law, zeerecht; —

offlcer, zeeofficier; — «heil, zeeschelp; — watch, scheepsklok (horloge); —r (marriti»), b. zeeman, matroos 1 —r'» conipass, zeekompas; —r'a card, windroos.

Marlt al (mwtrit9l), a. echtelijk, van een gehuwd man; —luie, a. aan zee geleden, van het zeewezen, zee-; —power, zeemogendheid. Marjaraai (mddzór m), s. marjolein.

Mark (mdk), a. merk. kenteeken, stempel, blijk, bewijs, doel, mark; letter of —.kaperbrief ; to hit the —,het wit treffen ; to overahoot the —, het doel voorbijstreven (fig.); to be up to (imder) the —, (niet) aan het doel beantwoorden, (on)voldoende zijn : to be besirie the — ,(fig.)het mis hebben; to below (above) the —, te laag (hoog); lie ahoota above our —, (fig.) hij gaat ons te hoog, boven onze bevatting; —, v. a. merken, teekenen, stempelen, opmerken, aanduiden; v.n. opletten, acht geven; —er.s.merker, n>arkeur. Marlcet (mdk»t), 8. markt, prijs; —heil,marktklok; — dav, marktdag; — folk», marktbezoekera; —house, verkoophuis; —man. inkooper; —place, marktplaats; — price, marktprijs; —town, marktstad ; —woman, markt-, koopvrouw; clerk of the—«marktmeester; good ware* make quick —a, goede waar vindt vlug aftrek ; —, v. a. verknopen; v. n. ter markt g.-ian; —able, a. verkoopbaar, gangbaar, gezocht.

Marking (makir\), s. het merken; — iuk,

merkinkt; —iron, merkijzer.

Markauiau (maktm9n), e. scherpschutter. Marl (mal), s. mergel; —pit, mergelgroef; —,

v. a. met mergel bemesten, marlen.

Marline (mal in), h. marl lijn; white—, stiklijn; —knot, marlslag;—spike, marlpriem. Marly (mali), a. vol mergel, mergelig.

Manna lade (mam» leid), s. vruchtengelei met

citroenschil.

Marino rated (mamoreitid), a. gemarmerd; —ration, (mdnuretë'v), s. belegging met marmer; —rean, (mdmóri»n), a. marmeren; —•et, s. aapje.

Marmot (manut), s. marmot, bergrat. Marwou (n&rün), s. boschneger (W.-I.); —, v. a. op eene onbewoonde kust aau land zetten ; —ing, buitenpartijtje.

Marplot (mapfot). s. spelbreker.

Marqué (mdk), s. kaperschip, —brief; letters

of —, kaperbrieven.

Marquee (makt), 8. veldtent.

UarqucM (ma\wi*), 8. markies (= inarqula). Marquetry (mdk» tri), s. ingelegd werk. Marquiaate (mdkuisit), s. markiezaat. Marriage (maridz), s. huwelijk; — artlclea, huwelijksvoorwaarden; —bed. huwelyksbed; —day, trouwdag; — dreaa. trouwkleed; — —favoura. bruiloftsruikers, -strikjes; -portiou, huwelijksgoed; — aong. bruiloftslied; —eupper, bruiloftsmaal; — tie, huwelijksband; —able, a. huwbaar.

Married (mtrrid), a. gehuwd, echtelijk; a —

man, een gehuwd man.

Marroon (m»rikn)t a. kastanjebruin.

Marrow (matró), s. merg; (het) beste, kern; —

Sluiten