Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MAR. - MAS.

bone. mergpijp; —boiies and denvers,

mergpijpen en hakmessen, volksuitdrukking voor muziek op een bruiloft: down 011 your —s! (fam.) op je knieën! he went down 011 his —bonm to lier, (fam.) hy knielde voor haar; spinnl —, ruggemerg; vege* table —, sappige kauwoerde; —fat, groote erwt; —less, a. zonder merg; —y, a. mergrijk, pittig.

Marry (mtrri), v. a. uithuwen; v. n. huwen, trouwen ; a — iug man, een man geknipt voor 't huwelijk ; —in liante, repent at

leisure, haastig getrouwd, spoedig berouwd; —, int. waarlijk! wel zeker! —come up! Heere mijn tijd!

Marsh, (maé), s. moeras, poel; —bilberry, inoerasbes ; —cinquefoil, rood vijfvingerkruid ; —erow-loot, watereppe ; —elder, watervlier; —lever, moeraskoorts; —gas, moerasdamp; —«entian, herl'stgentiaan, gein. kamille ; —gronud. moerassige grond ; — groundsel, uschkruid, St. JacobsWruid ; — liorsetail, (pl.) waterpaardestaart-, schaafgras; —land, moerassig land; —niallow, althéa; —inai-igold, waterhoef blad, goudsbloem; —mint, kruizemunt; —moss. stermos* —penny worth, water-navelkruid; —pine. poelken; — rocket, waterklaver; —samphare, glas-, zoutkruid ; — tare, poelwikke; —titiuouse, poel-, rietmees; — trefoil, waterklaver; —worm, waterworm, •poliep.

Marshal (mns'l), s. maarschalk, opziener, provoost; earl—, grootmaarschalk ; knlglit—, hofmaarschalk; Held—, v ldmaarschalk; —, v.a. regelen, rangschikken,leiden;—Ier, s. beschikker, raugschikker; —sliip, s. maarschal ksc hap.

Marsliy (ma si), a. moerassig.

Marsupial (mdsApial), a. buideldragend; —, s. buideldier.

Mart (mat), s. markt, vertier, koop.

Marten (mataii), s. zie Martin.

Martini (mds'l), a. krijgshaftig, krtfgs-; — appearance, krijgshaftig voorkomen; — array, slagorde; —equipage, krijgstoerusting; court—, krijgsraad; — law, krijgswet; to proclaiui —-law at Capetown, de krijgswet afkondigen te Kaapstad; — partiele*, ijzerdeelen.

Martiu (mdtm), s. marter, muurzwaluw; — ■nas, 8. St. Maarten (11 Nov.); St. —'» suinuier. nazomer (in den herfst).

Marti net (mdtinat), s. huiszwaluw ; streng bevelvoerder, dempgording.

Martingale (mating eil), s. springriem (aan den kop van een paard); spaansche ruiter; —stay, navelstag.

Mart let (matlat), s. zie Martin; —nets,pl. nokgordingen, geitouwen.

Martyr (mats), s. martelaar; to be a — to tootli-nehe, gefolterd worden door kiespijn; to die a —, als martelaar sterven; —, v.a. martelen; —dom, s. martelaarschap, marteldood; —ology (mdtiroladzi), s. geschiedenis (boek) der martelaren.

Marvel (mdcal), s. wonder; — of Peru,

balsetnkruid; —, v. n. zich verwonderen (at); —lous.a. —lously.ad. wonderbaar; —lousness, s. wonderbaarlijkheid.

Mary (mMcij; —bul», r. zie Marigold; —

■nas, s. Maria-boodschap.

Mawcle (masslfl), 8. ruit (in een wapenrusting).

Masculiue (nueskjulin), a. mannelijk; — gender, mannelijk geslacht (van zelfstnw.);

— ness. s. mannelijkheid.

Masli (mees), s. mengelmoes, paardendiank, spoeling; she lias already made her —, zij heeft reeds een vrijer (fam ); —, v. a. mengen, brouwen; to be—ed upon,(fam.) verliefd zijn; —er, dauriy, fat, lady-killer;

— ing-tub. moutkuip; —y, a. gemengd.

Mask (md-xlc), s. masker, mom, maskerade,

dekmantel, voorwendsel; to raise oiie's —, zijn masker oplichten (ook fig.); to tlirow olT one's —, zich ontmaskeren; under the

— of liolliiess, onder het masker van heiligheid; —, v. a. & n. (zich) maskeren, vermommen; —er, s. gemaskerde; —ing, s. maskerade.

Masliu (maszlin), a. gemengd, half om half; —bread, —, s. masteluiu (half tarwe, half rogge).

Maton (metz'n), s. metselaar; free-—, vrijmetselaar; —Ie (ma*onik), a. van de vrijmetselarij, vrijmetselaars-; —iejewels. insignes der vrijmetselaars; —ry, s. metselwerk, vrijmetselarij.

?la*qu«»rade (maskareid), s. maskerade, vermomming.

Mas* (tndi), s. massa, hoop; the —e* and the classes, het volk en de aanzienlijken; the ignorant —, de onwetende menigte; a — meeting, een groote volksvergadering; a — of people, of ruins, een massa mensclien, een puinhoop; — of bankruptcy, failliete boedel; — (mees), mis; to say —, de mis lezen ; to attend —, de mis bijwonen ; high (low) —, hoog (laag) mis; —book, misboek; —prlest, mispriester.

Massat-re (mtesaka), s. slachting, bloedbad; —, v. a. vermoorden, ombrengen.

Masseter (mandata), s. kauwspier.

Mass iness (mtesinas)-, — iveuess, s. massiefheid; —ive, —y, a. massief, gedegen, dicht, stevig, zwaar, plomp.

Mast (md*t), s. mast, mest-, eikels (voor varkens); head—, groote mast; — beaiu, zeilbalk ; —coat,broeking om den mast; —head, top van den mast; —hoop, mastband; — prop, kielstuk (van 't schip); —ed, a. bemast; to sail (to serve) hefore the—, gewoon matroos zijn (vergelijk "In the ranks"),

Master (maft»), s. meester, jongeheer,kapitein, baas, de heer; —of the horse, stalmeester ; the — of the house, de heer des huizes; —at*aruis, provoost (in de schermkunst); —attendant, equipage-meester, havenmeester; —book, schippersboek; — bullder, bouwmeester; —cabiu, schippershut; —gunner, konstabelmajoor; — haud, meesterhand;

Sluiten