Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MAW. — MEC.

91 aw (mó), k. maag. krop; —worm, spoelworm, made.

Mawk (mók), s. made, slet; — ingly, ad. 9lonzig. smerig; —lab, a. walglyk, laf; — iahneaa. f. walgiykheid, lafheid ; —•, s. slet, slons, morsebel, pl. grillen.

Maxillar (m9ktil») \ —y, a. van de kaak, van het kakebeen.

Maxim (mtvkfm), a. stel-, grondregel; —nut, s. (het) hoogste, hoogste graad.

May, '.mei), s. Mei, loeimaand; —bloom, hagedoorn ; —bug, meikever; —l»uah, wilde kwe; —day, Meidag, eerste dag van Mei; —duke, meikers; — llower. haicedoorn; — lly, meikever; —game. meispel, speelbal; —lady. meikoningin; — llly, lelie der dalen; —mor ai. frischheid; -pole, meiboom; — weeil, hondskamille; —worm. meiworm.

May [mei), v. n. mogen, kunnen; he tliat Wilt not wlieu He —. when he will.lie •liall liave nay, wie niet wil, wanneer hU mag. krytrt eeu „neen" op later dag; beall thia «» it —, het moge zyn zooals 't wil; eouie what come —, er moge gebeuren ■wat wil; —be. —hap, ad. misschien.

Mayliem [meihsm), s. verminking (rechtst.).

Mayor (mêj), s. mayor, burgemeester;—alty, s. mayorscliap; —ca», s. echtgenoote van een' major (= lady -). _

Mazard [mctzad), s. kriek, zwarte kers, kakebeen.

Mazarine (mtcz9rtn),n.donkerblauw,tusschengerecht, fi.ine hemdstrook.

Ma* e (meiz), s. doolhof, verlegenheid, onzekerheid; —e, v. a. in verlegenheid brengen, versteld doen staan; —rdneaa, s. ver warriug, verbaasdheid; —er, s. houten beker; —y, u. verbluft, verward, vol kronkelpaden.

Mazologle (mozoladzi), s. kennis der zoogdieren.

Me (ml), pr. mij; ah —!, helaas!; dear —!, coede hemel!

Mead Imid), s. weide, meede, honigwater.

Meadow (mertö), s. weide, weiland ; —bout*, pl. boterbloem ; —bugl<», klokbloem; —caiu* pion. —pinks.pl. koekoeksbloem;—graaa, weidegras ; —ground. weidegrond; —ironore, weide-oer; — lark, grasleeuwerik; — rue, weideruit;—inH'ron, tijloos; —«weet, weideboksbaard; — trefoil, weideklaver; — wort, weidekruid.

Meagre (»it(/a), a. —ly, mager, schraal ; — contents, schrale inhoud; —aoil, schrale (dorre) bodein ; — atyle, magere styi; —day, vastendag; —ness, s. magerheid.

Meak, {mik), s. (soort van) sikkel.

Meal (mil), s. meel, maal, maaltyd; — brimatone, zwavelpoeder; —man, meelkooper; —meat, meelspijs; —rent, belasting in meel; —eieve, meelzeel; —time, etenstijd; —tub, meelton; —worm, meelwoim ; —, v. a. met meel bestrooien ; — ineaa, s. meligheid.

Mealy (i»a/t), a. melig; meelachtig; —moutlied, bedeesd, verbloemend, huichelachtig;

—inoiitliedneae, s. bedeesdheid, huichel*

achtigheid.

Mean (min), v. a. meenen; van zins zyn; beteekenen; v. n. voornemens zijn; the llttle fellow —• to be bad, het ventje is opzetteiyk ondeugend : lie —■ well (kiudly) by na. hy bedoelt het goed met ons; —, s. midden, middelmaat, tenor; follow the golden —, volg den gulden middelweg; the — ratio, het gemiddelde; de middenevenredige; —, a. — ly, ad. laag, gemeen, gering; —hnru. van geringe afkomst; — part, middelstem; — «plrited, laag, verachtelijk time,—wliile, ad. iniddelerwyi.

Mean der (miffnda), s. kronkeling, bocht; —«Ier, v. a. & n. kronkelen; —droua, a. kronkelig.

Mean iug s. meening, beteekenis ;

—neaa. s. laagheid, gemeenheid; gierigheid; —(minz), s. middel, wyzc; pl. middelen, inkomen; by all —«a, in elk geval; by no —a. in geen geval, geenszins; to live on one's —a. van züu geld h-ven; waya and —a. begrooting en ontvangsten; bv fair (foul)—a, door eerlijke (oneerlijke) middelen, j Meaae (mtz), s. vijfhonderdtal (haringeu).

Meaaled (mi.s'fc3), a. gortig; mazelig, schurftig (van de varkens).

Meaal ea [miz'lz), pl. mazelen, gortigheid; German —, kwaadaardige soort van mazelen; —y, a. zie Mea«l«*d.

Meaaura ble (mezunb'/), a. meetbaar, matig; —bleueaa, s. meetbaarheid, matigheid; -bly. ad. matig.

Meaaure (meza), s. maat, maatregel; —, v. a. meten; af-, toemeten; v. n. meten, inhouden; they —d their atrength, zij maten hunne krachten met elkaar; we had aoon taken the — ol' hia Toot, wij hadden hem heel p-auw doorgrond; wy kenden spoedig y.yn karakter; with —d atepa, met afgemeten passen; a meaauriitg-rod, een maatstok; dry meaaure, maat voor droge waren ; liquid —, maat voor natte waren ; aolid —, inhoudsmaat; auperflcial —, vlaktemaat; — of lengtli, lensrtemaat; In a great —, in groote mate; to take one'i —, de maat nemen ; to take — a, maatregelen nemen ; to beat —, de maat slaan; to keep —, de maat houden; beyond (out of all) —, bovenmate; — for —, leer om leer, maat voor maat; —leaa, a. onmeteiyk; —ment, s. meting, tonnemaat; —r, s. meter. Meat (wi/),s.vleesch, spijs, kost; bntcher'a—, (geslacht) vleesch; dog'a —, cat's —, vleesch voor honden, katten ; au egg full of —, een vol ei; to ait at —. aan tafel zitten; —and drink, spys en drank; —chopper, hakmes; —haatenera, pl. kastrollen; —• offering, Bpysoll'er ; —pie, vleeschpastei; —aafe, vliegenkast; — acreen, etenskast; —y, a. vleezig, doorvoed,

Mechanic (msktrnik), s. hardwerksman; —, —al, a. — ally. ad. werktuigiyk; van (volgens) de werktuigkunde; —alueaa, a. werktuigeiykheid ; overeenstemming met de wet-

Sluiten