Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MIX.

- MIS.

verschaffen, v. n. oppassen, medicijnen geven, behulp/aam zijn, dienst doen; — erial. a. —erinliy, ad. {ministtrigf), ministerieel, ondergeschikt; —rant, a. dienstdoend, bedienend ; —ratio» [ministreië'n), s. dienst, bediening; — ry (minittrii, s. ministerie, ambt, ambt-bediening, kerkelijke dienst.

Minlunt (minism), s. menie.

Mink [mh\h), s. (soort van) wezel.

Hiuiiow (mtnÓ), s. grondel tje, stekelbaarsje.

Minor (matuff), a. minden, geringer, jonger, minderjarig; a «oiig in the —key. een lied in mineur (een droefgeestig lied); —, s. minderjarige, tweede stelling eener sluitrede; —Ite (minarait), s. Minoriet, minderbroeder; —ity (minoriti), s. minderheid, minderjarigheid.

Minotaur (mtvgffo), 8. minotaurus, paardmensch (fabel I.).

Minater [minui»), s. klooster, geestelijke broederschap, dom-, hoofdkerk; Vork kathedraal van York.

Mlnatrel (mhistr»1), s. meistreel, zanger, speelman ; —ay, s. muziek, troep muzikanten.

Mint {mint), s. munt, kruizemunt; —mm», munter; — innater, muntmeester, smeder, uitdenker; to have a — of moncy,schatrijk zyn; —, v. a. munter, beramen, smeden; —age, s. (het) munten, muntloon; —er. s. munter, uitdenker, verzinuer.

Minnet (minjttit), 8. menuet fdans).

Mimi in (min9m)% s. (muziek) halve noot, (drukk.) kleine drukletter.

Minnii {matu»»), ad. min, minus, minder dan; —cnle (minmkjul), s. kleine letter.

Minute (mtmt), 8. minuut, opstel, bijzonderheid ; to talce —• of, proces verbaal, aanteekeningen maken van; to make —e, notulen houden; —book, notulenboek; —gla«H. minuut-, logglas; —gum, minuutsclioten; —hand, minuutwijzer; —line, loglijn; — man, mobiel soldaat; —, v. a. aanteekenen of notuleeren (notarissen); —ly, a. & ad. elke minuut.

Minnt e (minjftt), a. — ely, ad. klein, nietig, nauwkeurig; —eueaa (minjAtna*), s. kleinheid, nietigheid, nauwkeurigheid; —iae (minjASit), s. pl. geringste bijzonderheden.

Min* (mi^ks), s. wild meisje, nuf.

Miny (matni), a. mijn-, onderaardsch, rijk aan mjjnen.

Mirac Ie (mftvfcV), s. wonderwerk, wonder-, to work —lea, wondoreu verrichten; a —Ie plny. een mysterie-spel of mirakel (godsdienstig tooneelspel in de middeleeuwen ; It aucceeded to a —Ie, het gelukte wonderwel; — iilous, a.; —ulously (mirtr/, jnlatli), ad. wonderbaar; — tilou«tieii» {mirtrkjtüamas), s. wonderbaarlijkheid.

Mirador (wiw/da), s. balkon.

Mirage (mi>üz), s. luchtspiegeling.

Mlr e (tnaig), s. modder, natte klei-, they werp deep in the —, (fig.) zU zaten zeer in de verlegenheid; —e, v.a. bemodderen; — ines*. n. modderigheid.

MSrky (m&ki), a. donker, somber.

Mlrror (mtrg), s. spiegel, voorbeeld; burniiig —, brandspiegel; — of'fnith.of love, spiegel der trouw, der liefde; —, v. a. spiegelen, afspiegelen.

Mirth (mvt/i),*. vroolijkheid; — ful.a. — fully, ad. vroolijk, opgeruimd; — fnhieaa, s. vroolijkheid, opgeruimdheid; —les», a. treurig, droevig.

Miry (matri), a. modderig, bemodderd.

Minarceptation {mitcekwpteii'n), s. verkeerde opvatting.

Miaaii venture {mitadvmnfj»), s. tegenspoed; homicide by —. (rechtst.) manslag zonder voorbedachten rade.

Miaadviaed (mwdraizd), a. slecht geraden.

MiantT ected (mitafektid), a. ongenegen (to) —irm, v. a. valsch opgeven.

Mlaaimed (mireintd), a. misgeschoten.

Miaall ege (misgledx), v. a. verkeerd aanvoeren; —iance [misplaten*), s. ongelijk huwelijk, mésalliance.

Miaantlirop e (mt-snthrovp); —lat (mifct)ithrgpift), s. mensehenhater; —ic (minnIhropik), a. menschenhatend; —y [misasilthrgpi), s. menschenbaat.

Miaappl ication {mitceptiketè'n), s. verkeerde toepassing; —y (mincep til), v. a. verkeerd toepassen.

Miaapprehen d (mtKeprihend), v. a. misverstaan; —winn, s. misverstand, misvatting.

Miabecoin e (misbikum), v. a. misstaan, niet passen ; —ing, a. onvoegzaam.

Miahesotten imhbi(jttfjn), a. onecht.

Mialiehav e (mi*bihetv),x. n. zich misdragen; — lor, s. wangedrag.

Miahelie f (minbifif), s. dwaalgeloof; —ve, v. n. dwalen (in het geloof); - ver, s. dwaler.

Misralrula te (mitktrlkjllfeif), v. a. misrekenen: —tion, s. misrekening.

MiMcall (mifkól), v. a. verkeerd noemen.

Miacarr lage (misktrridz), s. mislukking, miskraam, wangedrag-. —y. v. n. mislukken, wegraken, stranden, eene miskraam krijgen.

Miacaat iminkast), v. a. misrekenen.

Miarellnn eoua {misaletnj?*), a.-, — eou* news, gemengd nieuws; — eooaly, ad. gemengd; —eoiiftiieit», s. gemengdheid; —y. (muehni), [mtajfoni), s. mengeling, mengelwerk.

Miacliance, (mi»tSan*), s. ongeval.

Miacharge (mistsailz), s. verkeerde post (op eene rekening); —, v. a. ten onrechte in rekening brengen.

Miachie f (mintsif), g. onheil, nadeel, kwaad, moedwil ; to play the —f with, geheel van streek brengen; to intend (mean) — f, kwaad bedoelen; to deliglit in — f, lust hebben in 't kwade; to make — f, kwaad stichten, tweedracht zaaien; toget into — f, in ongelegenheid geraken; — f-mnker. onheilstichter; —voui.a. — vnunly ad. (mt*téiVM), onheilstichtend, schadelijk, moedwillig; — voiianeaa. s. boosaardigheid, moedwilligheid.

Miarlioowe Imix/éftz), v. a. verkeerd kiezen.

Miacible (mixib'l), a. vermengbaar.

Miacit e (mittait), v. a. verkeerd aanhalen;

Sluiten