Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ORD. — ORT.

*1»* day, de orde van den dag. de agenda- atanding —, reglement; to be fu ■ —* tot or(*e fferoepen worden; the lowcr — * of aaiaiala, de lagere orden der dieren; to receive — a, bestellingen ontvangen ; to be in bml nood) —.slecht (goed) m orde zijn; uittil flirther — a, tot nadere orders; Tli« Hou. member moveü to proceed witli tlie — of tlie day, net geachte lid stelde voor over te gaan tot de orde van den dag; ia —, ten einde - — u' ,}'el?elen. inrichten, verordenen, bevelen' bestellen, ordenen; v. n. bevel geven- —er' •. schikker, inrichter; —les*, a. ordeloos—liiiesN. s. ordelijkheid; —ly, a. & ad. ore yk, geregeld; au —ly, een oppasser van een olmcier, straatveger, soldaat die corvées te doen heeft; aa -ly-book, een orderboek (mil.); aa — ly-ol lieer. een luitenant V?«n ,die"8tï an —iy-«ergeaat, een onderadjudant; —s, pl. geestelijke stand ;totake de wijding ontvangen, priester worden, v V > (óadiiul), a. rangschikkend, s. ordeboek, rituaal, raugschikkend telwoord-

aace, s. verordening, voorschrift, regel'- — arlly, ad. — ary, a. gewoon, middelmatig; —ary, s. geestelijk rechter, bisschop, gevangen ispr edik er, gewoonte, gewoon ambt, gaarkeuken, maaltijd, prUs van een maal; physiclaa la—ary,iytarts ; profeaaor ia —ary, gewoon hoogleeraar; ahip la —ary, opgelegd schip; —ate, a. regelmatig, s. ordinaat (lijn)xa* verordenen. bepalen; — at ion (Oameii w), s. verordening, bepaling, ordening, wyding; — ative, a. verordenend, bevelend.

Ordnance Wadmns), b. grof geschut; office • 'u,ghuis (te Londen); aervlng aad workiag —, bediening van het geschut; plece of —, stuk (geschut); aiaater of the —, directeur-generaal der artillerie, veldtuigmeester; —ahip, oorlogschip;—yard, artilleriepark.

Ordonnance [óadinam), s. schikking, ordonnantie.

Ordure (ó»dja), s. vuilnis, drek.

Ore (&), s. erts.

Oread (ó»ri9d), 8. berguimf.

Orfraya (ó»freiz), s. goudgalon.

Orgal [ó»09l), s. wijnsteen.

®«*gaa s. orgaan, werktuig,orgel- the

—a of apeech, de spraakorganen; barrel', hand-, atreet—, draai-, hand-, straatorgel; flager—, accordeon; to play the —, het orgel oespelenj he thlaka lila owla are

«. "eukt, dat zijn uilen valken zijn-

builder, orgelmaker; —blower, orgeltrapper; —«top. orgelregister; —caae, orgelkast; —grinder, orgeldraaier; — loft,

orgelplaats ; —pipe, orgelpijp; —ic, Ical

lót/nmlc). a. bewerktuigd; —iCAlly,ail. door bewerktuiging; — Icalnraa, s. bewerktuigdheid; —lam, s. bewerktuiging; organist; —Izatlon lóotnizeti'n), s. bewerktuiging. Inwendig samenstel; — ize (óar/niai:) v. a. bewerktuigen, inrichten, ordenen. '

°ófbru"li,g8'"*ï,")' *• 0n'tUim^

Orglea (Oadziz), pl. bacchanalién. drinkgelagen, slempartijen. 8

pl* 8fconntr»l'en. orgelbatterij, örlel (óarial), s. vertrekje naast de voorzaal:

wludow, uitspringend venster. "rf®11* 1tortent), a. opgaand, oostelijk, achit-

teiend, prachtig (—coloura, —pearla) •

s oosten; —al (órinntêl), a. oostelijk,'oos' tersch, b. oosterling; -allaai, .. oostersch talen ' B' ken,»er der oostersclie

Orl flce (orifis), s. opening, mond; —flaaib (onjuem), s. standaard der oude Fransche koningen; —gan, s. kattestaart (plant). Origla (ortdZm), s. oorsprong, afkomst. Orlgiaa I (oridzinel), s. origineel, oorspronkelijk stuk, oorsprong;—I, a —ily ad

ry, a oorspronkelijk; -1 ,lu. erlzbnde; — llty [orcdzinaliti), -Ine.., s. oorspronkellJkheid, eigenaardigheid, echtheid; —te (ortdzineit), v. a. voortbrengen, v. n. ontstaan; —tloa (oridzineté'n), s. ontstaan, oorsprong, afkomst.

Orlole (Orioul), s. goudmeerl.

Orlou (ói-«rt»n), s. Urion (sterrebeeld).

Orlsou ittriz'il), B. gebed.

Orlop (ttaUp), s. middendek; —deck koe. brugdek. •

0póïi°IU geëmailleerd koper,cuivre

Ornament lOantmml), s. sieraad, versiersel—. T. a. versieren; —al. a. versierend; —ai letter», pronk- of krulletters; —al dealen, papier ö ,,,,per' SekleL"'d papier, luxeOmate («Saneit), a. versierd,getooid ■ —Iv ad

«ülff.K e5il?.e°',Ile/,',ük,; -'■'••.«•ver.lerJiield: Ornlthol Ite lónfllulait). versteende vogel; —oglat (óiiil/iohcUut). S. votelkenner- — °gy {onit/ioladéi), a. vogelkunde Orography lorogrtfi), s. bergbeschrüving. Orolog Ical ior»lod£Wl), a. bergkundig;

y [orol»dii), g, bergkunde.

Orplian («>»ƒ»«), a. ouderloos; —, s.wees- —

lam. s.ouderioosbeid; —age [óafmridi)

hiiuae, weeshuis; -ed, u. ouderloos. Orplment (daptmmt). s. oprement Urpine {tiapin), s. ro7.enwortel.

Orrei'yj lor""i)' "• P'anetarium (naar graaf

Orrla ion», s. zwaardlelie, goudgalon. Orthodox a.; —ly,ad. rechtiin-

—y. »■ rechtzinnigheid.

Orthodrom Ic. i«J»</«i(romii»),pl.kunit van rechtuit zeilen; -y (óthodr»mi). rechte koers, het rechtuit zeilen.

Orthoep Ist (ótlioujpisl), s.uitspraakkundiw —y s. uitspraakleer. '

Orthogon «J»«ijffjwi.s.rechthoek; —al Igtho-

09>i9l), a. rechthoekig.

Orthograph er {ótltognf», spelkunst^ naari a. — leally, ad. lót/ugr-nrfik), spelling-, volgens spelregels; —ical spelfout; —y, a. spelling, spelkunst

Sluiten