Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVE. — OVE.

waaien, v. n. ophouden, uitrazen ; au —n fellow, een overdreven, dwaze vent. Overbonril, ad. over boord.

Overbold (ouvabould), a. te vermetel. Overbrow {ouvabrau), v. a. hangen over. flvcrbuilt (ouvafrt.'t), a. te veel bebouwd. Ovvrbulk (otivabo/k), v. a. neerdrukken. Overlmrden (oncabód'n), v. a. overladen. Overbnsy (ouvabtzi), a. al te druk, overgedienstig.

Ovrrliuy (ouvabai), v. a. te duur knopen. Overcarry (ouvokttri), v. a. te ver voeren. Overea«t, a. betrokken; — (ouvahdxt), v. a

bewolken, te hoog rekenen, overnaaien. Overeaiitions (ouvakóias), a. al te omzichtig, «verclinruf, s. overlading, overvraging; — (ouratéddz), v. a. overladen, overvragen, te veel berekenen.

Overclond (ouvaklaud), v. a. bewolken. Overcloy (ouvaklot), v. a. oververzadigen. Ovcrcome oitvakum), v. a. overwinnen, overweldigen, te boven komen, v. n. de overhand houden; —r, «. overmeesteraar. Overcoiiildeti ce (ouvakttnjldans), s. vermetelheid: —t, a. vermetel.

Overcorited (ouvaktland), a. te sterk gekruid

of gezouten, beschonken.

Overcount (ouvakannt), v. a. te hoogschatten. Overcovep (ouvakuca), v. a. overdekken. Overcuriou» {ouvakjürias), a. te nieuwsgierig.

Overdaring (ouvaclêarin), a. te koen. Overdate (ouvadeit). v. a. later dagteekenen. Overdo (ouvadék), v. a. overdrijven, te gaai-

maken, v. n. te veel werken.

Overilone 'ouvado/t), a. overdreven, te gaar; he i* ratlier —, hy heeft zich wel wat overwerkt; ralher uiiderdone than —, beter wat ongaar dan te gaar.

Overdrnw (ouvadrój, v. a. te veel trekken. Overdre«« {ouvadre*), v. a. te zwierig kieeden. Overdrlak (ouvadrittfc), v. a. bedrinken. Overdrive (ouvadratc), v. a. te veel aandrij- : ven, afjagen. I

Overdue (ouvadjA), a. meer dan behoorlijk, reeds vervallen, over den tyd; the train wae 3 liiinutea —, de trein was 5 minuten te laat; — bill«, wissels, waarvan de vervaltijd verstreken is.

Overeat (ouvaii); to — oneself, zich overeten, zich de maag overladen.

Overeye (ouvarai), v. a. het opzicht hebben over.

Overfall, s. waterval, overval.

Overleed iOHVafid), v. a. overvoeden. Overlloat (ouvafloul), v. a. overstroomen. Overllow, s. overstrooming, overvloed (the auiiiial — of the .Vilt?); — (ouvaflou), v. a. overstroomen, v. n. overvloeien (with) • —Ing, 8. overstrooming.

Overlly (ouvaflnt), v. a. vliegen over. Overforward (ouvafdairad), a. al te voorbarig; —iieas. s. voorbarigheid, te groote voortvarendheid.

Overlrelght (ouvafrett), v. a. overladen. Overfull (ouvajikl), a. al te vol.

Ovrrgiril iouaoüdï. v. a. te nauw dichthalen

te nauw insluiten.

Overglaiic«> (ouvagldvs), v. a. overzien. Overgo (ouvagou), v. u. overtreffeu, te boven gaan.

Overgorge (ouvegdad£), y. a. overladen, volproppen.

Overgrrat (ouvaaintt), a. al te groot. Ovrrgrow (oitvjffrou), v. a. begroeien, sterker groeien dan. v. n. te sterk froeien ■ — a. begroeid, zeer groot; —th, i. te welige groei. 6

Ovvrliang louvjhtr){), v. a. hangen over be-

dreigen, v. n. overhangen.

Overliapny (ouvahwtpi), a. overgelukkig.

verharden (ouvahdd'n), v. a. te sterk harden. Overliant ine»» (ouvaheiftina*), s. overijling-

y» a<^* —y» te haastig.

€»verhaul (ouvahdl), v. a. overhalen, vieren.

opnieuw nazien.

Overhead (ouvahed), ad. boven het hoofd Overliear (ouvahia), v. a. beluisteren, afluisteren.

O verheat (ouvahit). v. a. te veel verhitten. Overjoy. s. opgetogenheid; — iouvadzoi). v.

a. in verrukking bre ren.

Ov.rkl.,,1 {OHVi/.atluli, a. uitermate vriendeliik.

Overlabonr (ouvaleiba), v. a. te veel werk «even. overwerken, te zorgvuldig bewerken. Overlade I ouvaleid). v. a. te zwaar beladen. Overlaid (ouvaleid), a. belegd, overtrokken,

gesmoord, in de schaduw gesteld.

Overlaad, a. over land (the -mail}; an jonrney to India, een overlandreis naar voor-Indlë.

Overlap (mivala-p), v. a. overdekken, gedeeltelik samenvallen.

Wv«rl«rKe louvalaili), a. al te groot.

Overlay (ouvslet), v. a. beleggen, overtrekken, overstelpen, verduisteren, smoren: —Ine. s. bekleeding. *

Overleap (ouvalip), r. a. overspringen. Overleather, 8. over-, bovenleder. Overleaven (ouvaleo'n), v. a. te sterk doen

gisten (zwellen), bederven.

OverliKht, b. te sterk licht.

O ver live (ouvaltv), v. a. overleven, v. n. te

lang leven; —r, s. langstlevende.

Overload {ouvaloud), v. a. overladen. Overhing (ouvalon), a. al te lang.

.Veri°°k v. a. overzien, over het

hoofd zien; —er, s. opziener.

Overly, a. & ad. buitensporig, al te Overi>in*te<l (ouvimattid), a. te zwaar bemast Uvrrmnater (ouvimaste), v. a. overmeesteren. Overmiitcli.R. meerdere, baas; — ioutjmn-ti) v. a. (iemand) de baas zya, overmannen, overtreffen ; tliey were -ed, zy moesten voor de overmacht bukken.

Overiueaaure, s. overmaat,toegift:—, (oma-

meza), v. a. te hoog schatten.

Overmix (ouvamik»), v. a. met te veel ver-

mengen.

Overmoat, s. hoogst.

Overmuch (ouvemntg), a. & ad. al te veel.

Sluiten