Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PAS. — PAT.

betwistbaar; —doubt, zonder twijfel; — hope, hopeloos; — marryiiig, te oud om te huwen ; — shame, schaamteloos.

Paitf (peut), s. deeg, pap, besla?, valsch edel» gesteente; —-board, s. bordpapier, a. van bordpapier; —pot. stijfsel pot; —, v. a. plakken; (up) opplakken.

■'«•tel (pa-stil), s. weede, zie Pastil.

Pastern (pw*tan), 8. hiel, koot (van een paard), voetzool; —Joint, voetgewricht.

Pastil (patstil), s. reukballetje, pastel; — paintiug, het pastel-schilderen.

Pastime (pa*taim), 8. tijdverdrijf.

Pastor (pd*ta), s, herder, geestelijke; —al, a. herderlijk, landelijk ; a —al letter, een herderlijke brief (van een bisschop); —al care, herderlijke zorg; —al stafT, herders-, bisschopsstaf; —al, s. herderszang, -dicht, idylle; —ate, s. herderlijk ambt; — lik**, —ly, a. herderlijk; —ship. s. herderschap, zielzorgerschap.

Pastry (petstri), s. pastei, taart, pasteibakkerij; —-cook,pasteibakker; —-work.pasteigebuk, banket.

Pastur able (pastjurab'l), a. geschikt ter beweiding; —age, s. weide, hoeding; —e, s. weide, voer; to take to —e, laten weiden; —e ground, —e land, weiland; to —e,v. a. & n. weiden.

Pasty (petsti), a. deeg-, papachtig; —, s. pastei,

Pat (pat), a. & ad. geschikt, ju-ist, precies; —, s. klapje, tik, klompje (a — of botter); —•, v. a. zacht slaau, tikken, kloppen.

Pat (pat), ad. juist, net van pas; o story — to the purpose, ... gi-knipt voor het doel;

— to tlie occasion comes an able and suggestive book by Or. S., juist op het reehte oogenhlik verschijnt. .. enz.; —ness, s. geschiktheid, passendheid.

Patch (pceti), s. lap, stuk, reepje, strook land, moesje, hansworst, schobbejak; lie is not a

— upon hls friend, liij haalt in de verte niet bij zijn' vriend; —work, lap-, knoeiwerk; —, v. a. lappen, verstellen, samenflansen, met moesjes beleggen; (up) oplappen, eamenlappen, oppervlakkig genezen; —er, s. lapper, knoeier; — ery, s. lap-, knoeiwerk.

Pate (peit), s. hoofd, kop, bol; curl-—d, met een krullekop; shallow—d, zwakhoofdig; long—d, listig, sluw.

Patefaction (patifaski'n), s. openbaarmaking.

Patell a (patella), s. knieschijf, ééuschalige schelp; —iforni, a. schotelvorinig.

Pateu s. zie Patin.

Patent (peit'nt), a. open, openlijk, openbaar, geoctrooieerd; letters —, opene brieven, ootrooi, patent; —, s. open brief, octrooi, brevet; to take out a —, een octrooi nemen; —bi II.brevet; —rolls. register der octrooien: that he was beautiful, was — to all

eyes was duidelijk voor ieders oog;

—-caps. slaghoedjes (mil.); —leather, verlakt leder; — office, bureau der octrooien; a — of peerage, een adelbrief; specificatlon of a —, plan of uiteenzetting by een oetrooi; to enter a caveat to a —, verzet

aanteekenen tegen een octrooi; enrollniemt

of a —, inschrijving van een octrooi; —ee (peitanti), s. geoctrooieerde, gepateuteerde.

Patern al (patón'l), a. vaderlijk;—ity [patAniti), s. vaderschap.

Paternoster (pettanosta), s. paternoster, (het) Vader Ons.

Patli (pdth), b. pad, weg, baan ; beaten —,

begane weg (begaan pad); towing —, jaagpad (langs vaarten); side —, zijpad; the —s of the I.,ord, 'sHeeren wegen; —way, voetpad; —, v. a. den weg banen, doen voortgaan, v. n. gaan; —less, a. ongebaand.

Pathetic (pat'/etik); —al, a. —aliy, ad. zielroerend, aandoenlijk; — aluess, s. zielroerendheid, aandoenlijkheid.

Patliolog IcmI (pcethalodéik'l), a. van de ziektenleer; — Ist (patholadzitt), s. ziektenleerkundige; —y, s. ziektenleer, ziekten» kunde.

Pathos (petthat), s. hartstochtelijkheid, nadruk, gevoel.

Patibulary (patibjulari), a. van de galg,

«alge-.

Patieu ce (peté'ne), s. geduld, volharding; to lo«e —, zijn geduld verliezen; to be out of —, geen geduld meer hebben; to wear out one'i —, iemands geduld uitputten ; to put out of —, ongeduldig maken; —t, s. lijder, patiënt; in-'door) —s, verpleegden binnenshuis; out-'door) —s, verpleegden buitenshuis; to attend a —, een zieke oppassen; —t, a. —tly, ad. geduldig, volhardend, gelaten (of).

Patiu (ptr/iti), s. deksel op den miskelk, schoteltje, blaadje; —a (patina), 8. knieschijf.

Patriarch (pettridk), s. aartsvader, patriarch; —al, a. aartsvaderlijk;—ate,—ship,—y, s. patriarchaat, aartsvaderschap.

Patricinn (patrti'n), a. patricisch; —, 8. patriciër.

Patri cide (ptrtrisaid), s. vadermoord ; vadermoorder; —inonial, a. —moiiinlly, ad. geërfd, erf-; -niony (pff/riwioftt), s. vaderlijk erfdeel; — mouial estate, erfgoed ; 9t. Peter's —mouy, het erideel van Petrus, nl. het pausdom.

Patriot (peitriat), s. vaderlander, patriot; — ic, (peitriotik), a. vaderlandslievend; — isui, s. vaderlandsliefde.

Patristic (patrtvtik), a. van de eerste kerkvaders.

Patrol (patroul), s. patrouille, ronde.• —, ▼. a. doorkruisen; v. n. de ronde doen, patrouilleeren.

Patron (pettran), s. patroon, beschermer, begunstiger, beschermheilige, schutspatroon, kapitein, gezagvoerder; — ess, s. patrones, beschermster, beschermheilige; —less, a. zonder beschermer of patroon.

Patron age (peitranidz), s. bescherming, begunstiging, beschermheerschap, begeving van een kerkelijk ambt; —al, a. beschermend; —Iie (postranaiz), v. a. beschermen, begunstigen; —Iser, s. beschermer, begunstiger; —yuilc (patranimik), s. geslachtsnaam.

18

Sluiten