Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PES. — PHI.

kwellen; —er. 9. kweller, plaaggeest; —oua, a. hinderlijk, lastig.

Peatiferoua (jmtifgra»), a. verpeatend, besmettelijk.

Pent Hen cc (pestite n»), s. pestziekte, pest; ^ —tlal (pe*tifens9l), a. pestaardig, verpestend, besmettelijk, boosaardig, verderfelijk. I eatle (pcs'l), s. vijzelstamper.

Pet (pet), s. gemelijkheid, kwade luim, huisleplam, lieveling, troetelkind; my —boy, mijn liefste Jongen; uiy -cIor, mijn lievelingshond; my — atudy, mijn lievelingsstudie; her —vlee, averalon. haar grootste ondeugd, afkeer; to be in (to get into) • —«boos zijn (worden); —, v. a. vertroetelen. Petal (pe#?/), 1. bloemblad; —istn, s. ver» banning (in het oude Syracuse» ; —oua, a blader ig.

Petard (peta(d), s. springbus, voetzoeker. Petaana {petetet), s. breedgerande lioed, Mer-

curius-hoed, (soort van) hoepel. Pe«echial(pp*<toW), a. gevlekt; —fever,vlekkoorts.

Peter (pit»), s. Petrus, Pieter, mantelzak; —bont, visschersboot; —man. visscher op den Theems; St. —*a pence, St. Pieterspenning; -wort, peterkruid; blue —, (zeevaart) sein van afvaart; to —out (alanir). te niet gaan. m

Petiol ar (jmtioul»), a. van den bladsteel;

—ate, a. uit den bladsteel groeiend- e

(petioul), s. bladsteel.

Petit Ipeti), a. klein, gering.

Petition (pitti'n), s. verzoekschrift, verzoek; right of' —, recht van petitie; —, v. a. verzoeken, smeeken; —ary, a. verzoekend, ameekend; —er, s. verzoeker, adressant, vertooner.

Petrel (pitrgl, petral), s. stormvogel. Petreacent (p9tre*9ntu a. versteenend.

Petrif actiou (petrifttki'n), —iention, s. steen wording, versteening; —active. — ic (P9trifik), a. versteenend; —y (petrifai), v. a. & n. versteenen.

Petrol (pitrvl), — eum (pitroulj'm), a. steenolie.

Petticoat (pet ik out), s. vrouwenrok ; a child ■,l —•« een kind in de lange kleeren; — govermuent, vrouwenregeering; to 'be under — government, onder de plak zitten van eene vrouw, onder de pantoffel zitten • —hold. konkelleen; — penaiouer, galant die onderhouden wordt.

Pettif'og (petifoff), v. n. den advocaat apelen, beunhazen; —ger. s. slecht advocaat, rechtsverdraaier; —gery, a. rechtaverdraaiing, chicane. 0

Pett ineaa (petina*), s. kleinheid, geringheid—lali, a. — ishly, ad. gemelijk, korzelig! —iahneaa. s. gemelijkheid; —Itoea (petitouz), pl. pooten van een speenvarken. etfy ll>*ti), h. klein, gering, onbeduidend; —b u-olfice, kanselarij-bureau; — contra▼ention. licht vergryp; — larceuy, gauwatevery (van voorwerpen van geringe waarde)— goda, ondergoden; —Jury, kleine jury;'

— ledger, briefportenboek; — madder, kruisblad; — aeaalons, zitting van een speciale rechtbank voor crimineele zaken •

— apurge, wolfsmelk; — tally, acheeps-

portie. * ^

Petulan ce (petjulm»), —cy, a. dartelheid, uitgelatenheid, onbeschaamdheid; —t, a. —t[)'• "4- dartel, uitgelaten, brooddronken, baldadig, onbeschaamd.

(PJü).s. kerkbank; the charchwardeni' —« de kerkvoogdenbank; — fellow, kerkbuurman-, —keeper, bezitter eener vaste plaats ; —opener, bankontxluiter ; —, v. a. van banken of kerkstoelen voorzien; — woiiiau, s. stovenzetster, banksluitater. Pewet (piwit), a. kievit, hop.

Pewter (pjAia), a. mengsel van tin en lood,

tinnen huisraad; —er, s. tinnegieter. Pbaeton (felatan), s. phaëton (vierwielig rijtuig voor 2 paarden); pheton (fabelleer); Wagenman (sterrenkunde).

Phalanx (f<*l9n,ks), 8. phalanx, gesloten krygsbende (bh de oude Grieken); phalangea (falaiulzxz), lidbeentje der vingers en teenen.

^hautaam (fnntazm), — a (fantuezma), 8. droombeeld, hersenschim ;—agoria (fcentaz• m'ayöaria), s. vertooning van geestverschijningen, mengelmoes.

Plimitom [fmnt'm), «. spook, droombeeld. ■ har la aio {fcerirtiik), — alcal, —eau, a. tarizeesch, schunheiilg; — ai.in {farieelizm), ». leer der Farlzeen.achUnlieiligheid; (ƒ«•>•«), a. Parizeer, ichUnheilige. I iiarmac eutle (f&muHttik), a. van de artaeuymenskunde; —entlca, pl.; — y (faman), s. artsengmenipkunde; —opoi*la( fdmjkapie), s. artsenijboek;— opoliat (jdmakopalist), r. artsenybereider.

!'!»«PO» (fèr98), a. vuurtoren, baken.

1 liaryn gotouiy (fcBri^otami), s. luchtpijpsnede; —x, 8. keelholte (pharynx).

I haa e (feiz), —li (pl. phasea (feisiz), s.

schyngestalte.

Pheaaant (fez'nt), b. fazant; palnted —, goudlakensche fazant; pencilled —, zilverlakensche fazant; — powt, fazantkuiken; —walk, — ry, s. fazanten hok.

Phenix (fint kg), s. feniks (fabelachtige vogel). Phenonieii on (fanomingti), s. verschijnsel (pl. uheaioiitenn); —al, a. als een verschijnsel, buitengewoon.

Phial (faial), s. fleschje; —, v. a. In een fleachje bewaren; I<eyden —, Leidsche flesch.

Philander (fllatnd»), v. n. coquetteeren, verliefd zijn op sentimenteele wyze ; the —Inga of Edwin and Angelina.

Philanthrop ie (fitanthropik), — leal, a. menachlievend; —lat, a. menschenvriend; ~"F* (ftlmithrapi), s. menschenliefde. 1 hilatelist (tilataliat) postzegelverzamelaar.

Pliilipplc (uitpik), s. Bmaadrede.

1 hilolog er (filoladza), — lat, s.taalgeleerde, philoloog ; —ic, — ical (fllalodziVl). a. taal-

Sluiten