Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PIN. - PIT.

Pinnat ed (ptnelt[id)) a. vleugelvorml g, Pl.h (pii), Int. bal.! foei! v. n. af keer be-

grevedevd; — Iflcl. a. vedervormig, gespleten; tuigen fat).

—iped, a. vinvoetig. PUmlre (pizmai9), s. mier.

«tSSTtorai- of »,7 L.)!

poe, nieiuan. waterpot.

rëeiha2k '* ,P pennetJe' "">• bout- Ei"'"rhl" ». pistache, pimpernoot,

roe n aait. .... Platll Ipittif), s. stampertje (van bloemen»-

Plny P«<m),n. vol pUnboon.cn. -laceon. (pi.Weli,.), a. op den S

Pio.ietr M l schansgraver, pionier; groeiend, -lifero... IpistiU/m,), . met

—» V» »• & *». pionierswerk verrichten. een stampertje

Plony (pafgni), s. zie Peony. Pi.tol (!><»/;(), s. pistool; —boe.—ea.e

ï? 11 !' *•;ad' rr00m' B°dvruch- bolster; — butt, pistoolkolf; roof tegen'

«•llf'S iT?;, , , pistoolschoten bestand; —,hot, pistoolschot^

Pip (pip), s. pip (vogelziekte), oog (op speel- —, v. n. met een pistool schieten

PloeÜ",' PLii„_i ,T; , , » „ p,"°" ""''"'I "• ""*« («»ef pomp); — rad.

Plpe (paip), s. pijp, huis fluitje, luclitpup. zuigerstang; —«trnkc. slag met den zuiger

Stem; to pnt a pcraon .— out, iemands PU (pi*), ,. put, pit, kuil, groeve, graf afgrond-

plannen veradelen ; put that In yonr - bak. parterre.Strijdperk • to lly the -

nnd ■moke It. steek d,e in Je zak. hoor I het veld ruimen, deu strijd opgeven- to

~ • 'i" ■'""<!)• »cl,reien, weenen; .luk « een put graven; the - „fthê

*° 'l?ht " -? «" "«P aankeken ; to clear .tomach. de maagholte; —coal.stcenkool;

* "• zlch, de keel zuiveren ; zUn keel —fnll, s. valput, valstrik s v. a. in valkuilen

mlirapen;t° do wit.een minder hoogentoon leiden; - hole. kuiltje.pokput;

«-PU paarde; to -elay, werker, onderman (bU houtzagers); —,aw

T.a.met pijpaarde bestrijken ; —-n»h.pupvisch; kraanzaag; —tlte, iemand, die in de parterre'

kncBien bU verkiezingen; zit. ook volgeling van William Pitt; v.

—«fate.ktn.ela'll der schatkamer;—.take, a. met pitten (kuiltjes) maken, aanhitsen,

«peerhaak (aanbeeld); —tree. seringeboom; Plt-a-pat (pl/»„*0. s. klopping, trippelgang-

—-weed, pijpkruid;—«tem lega.beenen zoo —, ad. tiktak, tikketlk.

dun als een pUpesteel; blow—, blaaspijp; Pitch (piti), s. pek. grootte, hoogte (b.v. the

SE ~: Vr.d'iCTUP.; k"eT',~; e'lebo°S»- -»'■ room. a tone); graad, toppunt, the

PUP; tabor. trommel en fluit; -. v. lowe.t - of fortunc. de laagste trap van

a. en n. op de fluit spelen, fluiten, piepen; fortuin; to rine to the hlnhe.t —.het

fluiter, speelman ; who * to toppunt bereiken ; a. dark HU —, pikdonker

«•ETi?» i r; z e , (duister), zoo donker als de nacht; to plav

Piplng. (palpw), a. fluitend, zwak, mat, druk- at - and tos., krul» of munt spelei- 1

Dl Cl , , - , black, pikzwart; —cap. pekpleister-

Pipkin (plpktn), s. potje pannetje. coal. git; —dark, pikdonker; —fartlilnir.

Pippin (plpm).s. pippeling (appel). kuiltjesspel; —fork, hooivork- --note

Plquan cy (plfoi!«).8. scherpte,stekeligheid; grondtoon; —plpe, stemfluitie•' .tone'

-t a -t'y, ad. scherp,prikkelend,stekelig; peksteen; -trL: Sen. ' pikboom-'

pi™ i«*n „ _ . , , , „ „ —. v. a. pekken, bepekken, verdonkeren, be'

ï rr. eSCilli.,,?er<>C e" vestigen, vaststeken, -zetten, opslaan, span-

nuüt ™ l!.rr t piket); — of hono(u)r, nen, bevloeren, bestraten, werpen, slingeren.

uïUnkaï # ' . prikkelen, beleedigen, regelen, inrichten, bepalen, vaststellen, v. n.

ïlch beroemeroo"®" ' ' °""|,ou)' Tallen neerstorten, zich neerlaten (on.npon),

IÏ2ES? z,ch legeren, stampen (van een schip); (011.

ÜJ ASfiViif ? (kaartspel). upon) kiezen, vaststellen, zich bepalen tot;

HulJSf A 1*1 zeerooverVi» letter- to — a cainp. een kamp opslaan; to — in

dieverij, (het) nadrukken; —te, s. zeeroo- (into) n man, iemand krachtig aauvallen;

ver, roofschip, letterdief, nadrukken ; —te, to — It strong, in vuur geraken, met warmte

▼. a. rooien, nadrukken, namaken; v. n. spreken; —er. s. pekker, teerder, breekifzer

zeeroof plegen; -tical, a. roofzuchtig, roo- waterkruik; the -er iroei to the we»

nadrukken~- fhê T '? » coofe^hoo.e broTe"

pïlhi ÏJïfL "tlcaJ d® Barba* Mt de kruik gaat zoolang te water, tot-

rUsche Staten (zeeroovende Staten). dat ze breekt; —era have ear* kleine

Pirogcae (ptroug), s. boomschuitje, kano. potjes hebben ook ooren; a —ed battle

PUea ry (pt»tori), s. vischrecht, vischmarlct, een geregelde veldslag • n —ed ca een'

I=hC.J i -,OP '•ensela.r, vis- kamp^met opgeslagen^; a-ed ^ee,"

visch-.visscliers-. een straat met blokken graniet geplaveid;

ÏSi.1. ?£ / •*. 'sschen; —ine, a. -Iiig, het stampen of heien van een schip;

visch-; ivorous [pistvsrgt), a. vischetend; —y, a. pekachtiir, bepekt donker

pleclciilture (pUikvltj»), vischteelt. Pitchfork (pttiffok). n. hooivork/

Sluiten