Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PIT. — PLA.

Piteou» (3Atjd»), a. — ly, ad. jammerlijk, erbarmelijk, meewarig; — nee», ■. armzaligheid, meewarigheid.

Pith (pith), 8. pit, kern, merg, (het) beate, kracht, sterkte, gewicht, belang; —Ine»», ». pittigheid, kernachtigheid, kracht; — le»«,a. zonder merg, krachteloos; — y, a. —lly* ad. pittig, kernachtig, krachtig.

Pit! able Ijpttjgb'l), a. erbarmelijk, deerniswaardig; —ablene»», s. erbarmelijkheid, beklagenswaardiprl't'id; —ful, a. —fully, ad. armzalig, verachtelijk, nietswaardig, medeiydend; —fiilnea». s, armzaligheid, verachtelijkheid, nietswaardigheid; —Ie»», a. —Ie»»ly. ad. onbarmhartig; — lessneas, s. onbarmhartigheid.

Pittance (pttmi), s. portie, kleine hoeveelheid, armoedig bestaan; —r, s. spijsmeester (in een klooster).

Pitte«I (pitid), a. met putten of kuilen, pokdalig.

Pltuit ary (pitjikitgri), a. slijmleidend; — ary glaud, slijmklier; — ary auembrane, slijmvlies; —e (pitjüait), s. slijm; —ou», a. siymig, slijmerig.

Plty (piti), a. medelijden; It U a —, het is i jammer; for —*• »ake, in 's hemels naam; to take — oii one, medelijden hebben met iemand; have — on her! wees haar genadig 1 —, v. a. medelijden hebben met, v. n. medelijdend zijn; why shoulü we — Mui? waarom zouden wU hem beklagen?

Pivot (plvst), s. spil, tap, guide, jalonneur (mil.).

PI* (pita), s. kastje, muntkistje, ho»tie-, altaarkaars, zie Py*; trial of the —, munt proef.

Plzzle (ptz'l), s. pezerik, bullepees.

Placa ble (pletk'il), a. verzoenlijk ; — bility, —bleue»», s. verzoenlijkheid.

Placard (ptekad, pltrfod), s. plakkaat, verordening; —, v. a. door een plakkaat bekend maken, aanplakken.

Place (plei»), b. plaats, ruimte, post, ambt, rang, stand, voorrang; In —, aangesteld, in dienst; lu sotne —, ergens; to give — (to), plaats maken; to take —, plaats grijpen, •vinden, •hebben; to change —», plaatsen ruilen, van plaatsen veranderen; to be out of—, misplaatst zijn, buiten betrekking zijn; I put It in It» —, ik zette het op zijn plaats; to know one'i —, weten, waar men ataan moet; the right man in the right —, de rechte man op de rechte plaats; —holder, — uiau, ambtenaar; —, v. a. plaatsen, atellen, zetten; — r, s. plaatser, steller.

Placenta (pi9tent9), s. nageboorte.

Placid (p/ctsid), a. — ly, ad. zacht, rustig, kalm, vreedzaam; —Ity (plasiditi), —ness, zachtheid, vreedzaamheid.

Placket (plockit), s. onderrok, roksplit. Plaglar l»m (:pleiilzarizm), s. letterdieverij; —lat. —y, s. letterdief, naschrijvert —lae, v. a. & n. letterdieverij plegen.

Plague (pleig), s. pest, plaag, wee; the ten —• of Egypt, de tien plagen van Egypte;

a — upon hint! de duivel hale hem! — •ore, —token, pestbuil; —, v. a. met peat (plagen, rampen) bezoeken, verpesten, kwellen» kastijden.

Plagu y (pletgi), a. —lly, ad. besmettelijk, lastig, kwellend, ijselijk, afschuwelijk.

Plaice (pleit), s. schol.

Plaid (plad, pleid), s. gestreepte stof,Schotsche mantel.

Plaln (plein), s. vlakte, slagveld; —, a.&aa.; —ly, ad. vlak, effen, eenvoudig,ongekunsteld, klaar, duidelijk, rondborstig, openhartig, onbewimpeld; to put it very — ly, zich duidelijk uitdrukken; the niau in —clothee, de detective, de geheime agent van politie; a» — a» a p» kent air. zoo klaar als de dag; in — term», met ronde woorden; —truth, zuivere waarheid; — chart, platte zeekaart; —dealer.eerlyk man ; —dealing.a.oprecht, eerlijk,b. oprechtheid,eerlijkheid; —hearted, openhartig; — aalling, het zeilen naar platte kaarten (naar Mercator'* projectie); —»oug, koraalgezang; —spoken, rondborstig; — ■tuf!». eflene stoffen ; —table.vlaktemeter; —work, (het) linnennaaien, nuttige handwerken; —, v. a. vlak (effen, glad) maken; —ne»», s. effenheid, eenvoudigheid, duidelijkheid, rondborstigheid.

Plaint (pleint), s. klacht, aanklacht; —ful,a. altijd klagend; —Iff, s. aanklager, eiacher; —Ive, a. klagend.

Plait (plat, pleit), s. plooi, vouw, vlecht; —,

v. a. plooien, vouwen, vlechten.

Plan (plan), s. plan, ontwerp, schets; —, v.a. een plan maken,ontwerpen, in schets brengen; —ary (pléit&ri), a. van een vlak.

Planch (pldni), v. a. met planken beleggen; —er, a. planken vloer; —et, s. muntplaatje; —Ing, s. beplanking, planken vloering.

Plane (plein), s. vlak, schaaf, plataan; inclined—«hellend vlak; grooving—.ploegschaaf; Jolnter—, ree-, roffelsc11 aaf; smooth—, •moothing—, gewone schaaf; —geoinetry, vlakke meetkunde; —Iron,schaafbeitel; — nuuiber, door vermenigvuldiging ontstaan getal; —tree, plataanboom; zie ook Plaiu; —, v. a. vlak (glad, effen) maken, schaven; —r, s. schaver, klophout.

Planet (plasnst), s. planeet, dwaalster; — •truck, verzengd, ontsteld; —arluna (plcengtêsridm), s. planetarium; —ary, a. van de planeten; —ary •ystem, planetenstelsel. Plani folioua (;planijouljs#),a. vlakbladerig; —globe, a. hemel—, wereldkaart; —metrical, a. van de vlaktemeting; —nietry (pldnlmdtrï), s. vlaktemeting; — petalou», a. platbladerig (■=■ —folioua).

Plaulah (plaruié), v. a. polijsten (door hameren).

Planisphere (plasnitfU), a. hemel-, wereldkaart.

Plank (planjc), a. plank; to walk the -, verdrinken (straf toegepaat door zeelieden); —, v. a. beplanken; —ing, a. het omleggen met planken.

Planner (plttiu), a. ontwerper, planmaker.

Sluiten