Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PLE. — PLU.

rieasant (plezant), a. —ly. ad. aangenaam (to), genoeglyk, opgeruimd, vrooiyk; —ness, s. aangenaamheid, vroolykheid; — ry, s. vroolykheid, boert, kortswijl.

I*lente (pHz), v. a. behagen, believen, v. n. gelieven, goedvinden; to be —d, voldaan zyn, gelieven, zoo goed zyn, (at) verheugd zjjn over, (in, wlth) behagen scheppen in, (wlth) tevreden (ingenomen) zynmet;llly sou, in whom I au» well — «1. (Byb.), MUn zoon, die mü welgevallig is; as jou —, zooals ge wilt; If you —, als 't u belieft, met uw welnemen; to be nn—d ai Punch, zoo vrooiyk zyn als Jan Klaassen; — man, | —r, b. vleier, pluimstryker.

Pleasing (pliziv,), a. — ly, ad. behaaglyk, genoeglyk; —nes», 8. behaaglijkheid, bekoor»

tykheid.

1'leasurabl e (plezurdb'l), a. —y, ad. aangenaam, genoeglyk; —euen, s. aangenaamheid, genoeglijkheid.

rieamire (plezs), s. vermaak, genoegen, believen, goeddunken : at —, naar verkiezing ; to take — in, behagen vinden in; during the royal —, zoolang het den koning behaagt ; «ïi office during —, een afzetbaar ambt; use your —, doe, zooals ge wilt; —boat, speeljacht; —ground.lusthof,park; —, v. a. genoegen doen, behagen.

Plebeian {plahim), a. Plebeïsch, tot het volk behoorend, gering, gemeen; —, 8. plebejer, iemand van geringen stand.

Plectrum (p/e^r'mj.s.penneye om op de lier te tokkelen.

Pledge (pledz), s. pand, onderpand,borgtocht, gyzelaar, bescheid (by het drinken);—, v. a. verpanden, borg staan voor, bescheid- doen; to deposit (to give) as a in pand geven; to redeem one*s —, zyn pand inlossen, zyn belofte nakomen; to luipart under a — of secrecy, mededeelen onder belofte van strikte geheimhouding; to — one'n word. zyn woord verpanden; pledgee (pledzi), s. pandhouder, -nemer; —r,s. pandgever, borgsteller.

1'ledget (pledz at), s. kompres (van pluksel).

Pleiades iplaioutz), pl. zevengesternte.

IMenar iuess (plituHtw), s. volheid; —lly, ad. —y, a. geheel, volkomen; —y indulgence, absolutioii, volkomen atlaat (vergeving van zonden); —y power, volmacht.

1'Ieiilluiiar (pleniljikn9), —y, a. van de volle maan.

1'leuipoteii ce (pl»ntp9t9ne), 8. volmacht; —t, a. gevolmachtigd; — tiary (plenipatenfori), a. gevolmachtigd, s. gevolmachtigde.

Plenitude (plenitjüd), 8. volheid, overvloed.

Plent eous (plentj 9»), —iful, a. —iously, —Ifully, ad. overvloedig; —eousness,— ifulneas, s. overvloedigheid; —y, s. overvloed; hom of —y, horen des overvloed».

Pleona* in (plirtUBzm), s. overtolligheid, pleonasme ; —tic, —tical (pfanastik'l), a. overtollig, pleonastisch.

Plethor a (;pletfi9T9), —y, 8. volbloedigheid ; —•tic, —ic, a. volbloedig.

Pleur a iplikr»), b. borstvlies; —Uy. s. zUdewee, pleuris; — Itic (plüritik), a. van zydewee, aan zydewee lijdend, pleuritisch.

Plevin (plev'ii), s. zekerheid, borgtocht.

Plia ble (plaisb'l), a. buigzaam; —billty (plaieUliti). — bleue»»», s. buigzaamheid.

Pliau cy {plai9vri),—tness.s. buigzaamheid; —t, a. buigzaam, handelbaar, gedwee.

Plica iptatkn), h. Poolsclie haarvlecht (eene hoofdziekte); —te, — ted, a. gevlochten, geplooid; —tlon (plikets'n), s. vouwing, vouw.

Pliers (plat9Z), pl. buigtang, wip eener brug.

Pllght (j)lait), s. staat, toestand, onderpand; in a pitiable —, in beklagenswaardigen toestand; —, v. a. verpanden; to — new vowh, nieuwe geloften afleggen; they —ed eacli other's love, zy zwoeren elkuar lief te hebben; —ed faith, eerewoord; —er, b. verpander, waarborger. onderpand.

Plintli (pliuth), 6. plint, rollaag.

Plod (plod). v. n. sloven, blokken; —der, s. Blover, blokker.

Plot (plot), s. plekje gronds, veld, aanleg, plan. ontwerp, komplot,samenzwering, intrige, aanslag, knoop; —, v. n. smeden, ontwerpen; v. n. samenspannen, een aanslag smeden («= to lay a —); —ter, s. samenzweerder, ontwerper.

Plougli (plau), s. ploeg, ploegschaaf; to put one's liand to tlie —, de hand aan den ploeg slaan; —beam, ploegbalk; —boy, ploesrjongen; —colter, ploegkouter; —liand Ie, ploegstaart.; —iron, sponningschuaf; —kiiife,ploegmes; —land, bouwlund; —man, ploeger, landbouwer, vlegel; —Slondaj. eerste Maandag na Driekoningen, ploegfeest; —rnker, ploegyzer; —«haft, ploegboom; —«hare, ploegschaar; —stalt'. —stilt, — tail, ploegstaart; — wriglit, ploegmaker; —, v. a. beploegen; v. n. ploegen; to be —ed (slang), zakken (voor een examen); —er, s. ploeger, landbouwer ; —ing, s. het ploegen.

Plover (plov9), 8. pluvier, regenvogel.

| Pluck (plok), b. ruk, trek, omloop, ingewand; moed; no end of —, kranig, heel wat „durf"; —, v. a. rukken, trekken, plukken; (down) neerslaan; neerrukken; (off) af%uitplukken; (up) uitrukken, uitroeien, opbeuren, (moed) scheppen (— to — up spirit); —er, s. plukker, uitroeier; —y, dapper, moedig.

Plug (ping), s. plug, pin, stop, prop, kraan, zuiger (van een pomp); —, v. a. dichtstoppen.

Pluiii (p'vtn), b. pruim, rozyn; 100,000 pd. steil.; lie look* for —s to drop iuto hls iiiouth, hy denkt, dat de gebraden duiven hem zoo maar in den mond zullen vliegen; sugar—s, bruidsuikers; —rake, pruimentaart, krentenkoekje-, —porridge, brij met pruimen of rozyuen; —pudding, podding met pruimen of rozynen; — tree, pruimeboom.

Pluinage (plitmidz), s. veeren, vederbos.

Pluiub (plvm), s.schietlood, dieplood ; —line, loodlijn, schietlood ; —rule, schietlood; —,

Sluiten