Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PLU. - POI.

*• & loodrecht; —down, recht naar beneden; —over, recht over; —, v. a. peilen, in het lood zetten; —«go. (plamletgö), b. looderts, potlood; —eau, -eoui, a. loodachtig, looden, zwaar ; — er, (ploma), s. loodgieter; —ery, s. loodgieterswerk, loodgieterij.

Pluin e (plüm), s. veder, vederbos, pluim, trotschheid, lauwer, eereteeken; — striker, pluimstrijker; —e, v. a. (de veeren) reinigen, met veeren (met een vederbos) tooien, uitplukken ; to — one'i «elf ou, zich laten voorstaan op; — eleaa, a. vederloos, kaal; —Igeroua (plümidzsrg$), a. gevederd; — Ipeil, a. ruigpootig.

Pluiimiet Ijpiomyt), s. schiet-, dieplood. Pluua ome (plikmout), — ou* (plikmn), a. gevederd, vederachtig, donzig; — oaity, (plumositi), s. gevederdheid, donzigheid.

Plomp Jplvmp), a. —ly, ad. vleezig, poezelig, vet; —, ad. plomp; —, v. a. & n. vleezig (dik, vet) maken (worden); nederploffen; — er, s. prop (in den mond); grove leugen —ness, s. vleezigheid, gezetheid: —y, a. vleezig, gezet, poezelig.

Plunder (plnnd»), s. buit, roof; —, v. a.

plunderen, rooyen; —er, s, plunderaar. Pl uiige (pIvndz), s. indompeling, induiking, nederplofiing, plof, (het) slaan van paarden, verlegenheid, klem ;—, v. a. indompelen, storten ; v. n. duiken, zich storten, springen en slaan ; —01», s. duiker (eend); — r, s. dompelaar, duiker, pompstok.

Pluperfect (plüpófgkt), a. meer dan volmaakt verleden.

(Ptör9l), a. —ly, ad. meervoudig; —, s. meervoud; —lat, 8. geesteiyke die meer dan één kerspel heeft; — Ity (plürasliti). s. meertalligheid, veelheid, meerendeel.

1 luah (plvi), s. pluis, pluche; —er, s. (soort

van) zeehond.

Plutocraey (plütokr9*i),a. de heerschappij (de

invloed) der rtfken.

Pluvl al Ipl1kcj9l), —ooi [plikvjat),a. regenregenachtig; —al, s. misgewaad, koorkleed. r'y (P«m). s. bocht, vouw, plooi, neiging, gewoonte;—, v. a. inspannen, Ijverig waarnemen, gebruiken, behartigen, zich toeleggen op, dringend verzoeken, bewegen.overstelpen (wlth), v. n. buigen, toegeven, yverig werken, zyn best doen, laveeren; to — a good knife and fork, flink kunnen eten;to — a needie, een naald hanteeren, naaien ; thla steauier plies between H. and A.. deze stoomboot vaart geregeld tusschen H. en A.—«r, b. '

Pneum atle (njümtttik), a. lucht-, wind-; van de lucht (de luchtleer,den wind);— atlc pump, luchtpomp; —atle tyrea, luchtbanden; —atlca, s. luchtkunde, — atoloiry [njumatohizi), s. lucht-; geestenleer; —onia Jnjümouni9), s. longontsteking; -onle (njumonik),*. van de longen, s. longmiddel. Poach (pouti), r. a. zacht koken, vluchtig ontwerpen, doorsteken, doorboren, stroopen▼. n. wild stroopen, vochtig ztyn; — ard, s.

P°e|«end; -®r, s. strooper; — Iness, s. vochtigheid ; —y, a. vochtig, moerassig, ■"ock (pok), b. pok, pokzweer; —hole,— mark.pokput, pokdaal; —fretten,—marked, —-pltled,pokdalig; -nood, pokhout. Pocket (vokgt), s. zak ; out of —, zonder geld ; to be lil (out of) —, (by 't spelen) winnen (verliezen); —book, zakboekje - —

glass. zakspiegeltje; —hole, zakgat;'

haiMlkerchlef, zakdoek; —knife,zakmes;

— nioney, zakgeld; —, v.a. in den zak steken, opsteken, (up) opsteken, verkroppen;

— * hall, een bal stoppen (biljart); to

— nn affront, au Insult, een beleediirini? slikken.

P«»ek iness (pokin9ê), s. pokkigheid; —y, a.

pokkig-, venerisch.

Pod (pod), 8. schil, bast, dop; — , v. n. zich

zetten, peulen bekomen.

Potlagr a (podagn), s. podagra, voetjicht:

—Ie, —leal, a. jichtig.

Podge (podz), 8. poel, plas.

Po em (pouem), 8. gedicht, dichtstuk; —eav,

a. zie Poetry.

Poet (pougt), s. dichter;—aster lpou9ieest»), s. rymeiaar; — ess, s. dichteres;—Ie.—Ical, a. —Ically, ad. (pouetik), dichterlek; — lea (povetih*), pl. leer der dichtkunst; — ize,v. n. dichten; —ry, s. dichtkunst, gedichten. W cy (ï oiH9Vsi), 8. scherpheid, steke¬

ligheid; — t, a. —tly, ad. scherp, stekelig. Polnt (point), 8. punt, stip, spits, nestel, oog (in het spel), stift, naald, knnt, kompassteek, kaap, doel, toestand, graad, uitslag, noot, toon; —a, pl. seizingen, wissel (spoor); a — suiau, een wisselwachter; to work the —a, de wissels verzetten; — of alght, —of ▼lew, gezichtspunt; to gain one'a —,zijn doel bereiken; to hring to a —, ten einde brengen ; at all — a, in alle opzichten,geheel; to be In a hurry to get to one'a —, haast hebben om het punt in kwestie te bereiken; It was to the —, 't was „ad rem", raak; a case In —, een dergelijk geval; ■® atretch a —, zich byzonder veel moeite geven; to niake a — of, zich tot regel (wet) stellen, er op staan, dat. ..; to straln • —, te ver gaan ; to carry one'a —, het winnen van anderen in debat ot geschrijf; to glve —a to, vóorgeven, een nuttigen wenk geven; to stand upon —s, al te nauwkeurig, nauwgezet zyn; —blank, ad. rechtstreeks, op den man af; * bout portant, regelrecht; —holes, punctuurgaatjes; —maker, nestel-,kantmaker;—screw, punctuur-schroef; —velique, zeüpunt; the — was, de hoofdzaak was.

Polnt (point), v. a. aanpunten, scherpen, stippen, punctueeren, wijzen; (agalnat, at; richten op; (out) aantoonen;—,v.n.aanslaan:(at) aanwyzen; (to) wyzen op, aanduiden; —ed, *• —®dly, ad. spits, puntig, scherp; — edness, s. puntigheid, scherpheid; —el, s. stift, griffel, knopje; —er, s. etsnaald, punter, ■tipper, wyzer, speurhond; —era. pl. slapers; —Ing, s. aanpunting, aanduiding, het bestek

Sluiten