Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PRE. — PRL

—Motor (preatidziteits), §. goochelaar, misleider; —ioua, a. begoochelend, bedrieglijk.

Preaum able {prizAmab'l), a. —ably, ad. vermoedelijk: —e (p/izüm), v.n. vermoeden, wanen, het wagen, zicli verstouten, de vrijheid nemen; (of, on, upou) vertrouwen op, zich inbeelden, zicli laten voorstaan op; —er, s. vermoeder, verwaande; —ing,a. laatdunkend, verwaand.

Preaumpt ion (prizumi'n), s. vermoeden, onderstelling,verwaandheid; —ive,a.—ively, ad. vermoedelijk, aanmatigend, verwaand, vermetel; —ive heir (heir —ive), vermoedelijke erfgenaam (van de kroon); —noua.a. —uoualy, ad. (prizomtju,as), ingebeeld, verwaand, vermetel; —ouaneaa, s. verwaandheid, vermetelheid.

Preauppoa al (prUnpouz'l), — ition (prteopazis'n), s. vooronderstelling; — e (prttapouz), v. a. vooronderstellen.

Pretcnce (pritciu), s. voorgeven, voorwendsel, aanspraak (to); 011 (untler) a — of, onder voorwenduel van; a me re —, enkel een uitvlucht; to have a — to, aanspraak maken op.

Pretend (pritend), v. a. voorwenden, voorgeven, beweren, veinzen, v. n. beweren, voorgeven, zich aanmatigen, (to) aanspraak maken op; to —ignorance, zicli onwetend houden; —ed, a. voorgewend, gewaand;—er, s. voorwender, pretendent; —iug, a. —iugly, ad. verwaand, laatdunkend.

Preten «ion (priteui'n), s. aanspraak, aanraatigiug, voorwendsel ; he inaiir good hia —aiona, hij deed zijn annsprakeu gelden; a man of great —aiona, een man van groote inbeelding; —tioua, a. aanmatigend.

Pr eteri nipte rfcct drrltarimpüfakt), a. & s. onvolmaakt vrieden (tQd).

Pretrrlt • (wtstarit), a. & s. verleden (tijd); —lo»» \pretarii'n), s. voorby -.ing.

rretcrlcjral (pritalijal), a. wederrechtelijk; — miaaion, s. (het) weg-, uitlaten, overslaan, verzuimen.

Pretematural (pritanntjaral), a. —ly, ad. tegennatuurlijk ; —neaa, s. tegennatuurlijkheid.

Preter perfect (pritapófakt), a. & s. volmaakt verleden (tijd); — pluperfect (plüpófskt), a. & s. meer dan volmaakt verleden

(tyd).

Pretext (pritakst, priteket), s. voorwendsel; uiider a — of, onder schijn van.

Pretor (prit»), s. pretor; —ial, — ian (pritó»rial[an), a. pretoriaanscli, rechterlijk; the —ian gnarda, de pretoriaansche (keizerlijke) lijfwacht (Rome); —ahip, s. pretorschap.

Prett y (priti), a. — ily, ad. lief, aardig, net, mooi, tamelijk ; —ineaa, s. liefheid, aardigheid ; —y, ad. tamelijk; —y-apoken, lieftallig, gezellig om mee te praten.

Prevail (privetl), v. n. de overhand hebben (•galaat, over), heersehen, in zwang zijn : (oii.upoii.with) overreden; to — one'a aelf of, zich ten nutte maken; — ing, a. heertellend, krachtig, veelvermogend; a —ing

(prevalent) oplnlon, paaaion, dlaeaae, colonr etc.)*

Prevalen ce (prevalatu), — cy, s. overhand, overwicht, heersching, algemeenheid; —t, a. -Hy. ad. overwegend, krachtig, heersehend, geldig.

Prevarica te (privirrikeit), v. n. slinks te werk gaan, draaierijen bezigen, uitvluchten zoeken, tegen trouw en plicht handelen; — tion (priveeriketé'n), s. draaierij, plichtverzaking, ambtsontrouw; —tor, s. draaier, trouwelooze, plichtverzaker.

Prevenient (privinjant), a. voorgaand, voorkomend.

Prevent {privent), v. a. voorkomen, vei'hinderen (from), vooraf onderrichten; —able. a. te voorkomen, verhinderbaar.

Preven ter (privent»), s. voorkomer, verhlnderaar, borgtou w, pardoen; —backatay, looze pardoen; —holt, puttinghout; —hrace, borg op de brassen: —croaa-trce, stopzaling; —leech-line, smeergording; —lift, looze toppenant; — plate. kapplaat; —rigging, waarloos tuig; —rope, borg, ophouder; — aheeta, pi. —ahrouda, pl. borg op het want; —atay, looze stag; —atrap, borgstrop.

Prevent ion [privenS'n), s. voorkoming, verhindering, waarschuwing; —ion ia better than cnre, voorkomen is beter dan genezen; —ional,a. voorkomend,verhinderend; —ive, a. —ively, ad. voorkomend, verhoedend, verhinderend (of); —ive aervice,kustdienst ter voorkoming van smokkelarij *» —'ve niediciiie, voorbehoedmiddelen tegen ziekte; —ive, s. behoedmiddel, preservatief.

Prnvioua (privjas), a. —ly, ad. voorafgaand, voorloopig, (to) voor, vroeger; — to hia death, vóór zijn dood; — intiniation, voorloopige kennisgeving; — paynient, voorschot; —neaa, s. voorloopigheid, (het) voorafgaan.

Previaion (prlviz'n), s. (het) vooruitzien, voorzorg.

Prey (prei), s. prooi, buit; beaat of—«roofdier; bird of —, roofvogel; to fall a — to, ten prooi vallen aan ; to become a — to (of), de prooi worden van; —, v. n. rooven, plunderen, (on, npon) loeren, azen, ondermijnen (to — on the licaltli. the life of a man); —er, s. roover, verslinder.

Price (prait), s. prijs, waarde, loon ; aet —, vaste prijs; at any —, & tout prix, tegen eiken prijs ; to aet n — on gooda, goederen prijzen; to benr a liigli (low) — «duur (goedkoop) verkocht worden; a — wan aet on hia lieail, er werd een prijs op zijn hoofd gezet; current (inarket) —, marktprijs, loopende prijs; —current. prijscourant; —, v.a. prijzen, schatten; —leaa, a. onschatbaar, zonder waarde.

Prick (prik), s. prik, steek, prikkel, stekel, angel, mikpunt, spoor (van een haas), wroeging; —eared, voorbarig, neuswijs; — madam, huislook ; —poat, bindstuk ; — puitcli, dril, drijfijzer; — aong, lied op noten; —timber, —wood, papenhout, spille-

Sluiten