Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PUD. — PÜN.

(soort van) brasem; — ple, vleeschpoddmg; —aleeve, wijde mouw ; — atone, poddingsteeu; —time, etenstijd, juist van pas (to couie in — time). ...

Puddl e (pód'l), s. modderpoel; — e, ▼. a. modderig (troebel) maken; met modder dichtstoppen ; v. n. plasseu, morsen; —y, a. modderig. , .

Puddock (pod9k), s. omheining. . „

Pud ency (pjikdgnst), — icity (pjudUitt),

s. schaamachtigheid, eerbaarheid.

Pneril e (pjuarii), a. kinderachtig; —ity, (vjüiartliti), s. kinderachtigheid.

Puerperal \pjuAp9r9l), a. kraam-, van het kraambed ; — fever, zogkoorts.

Puet (pj&9t), s. kievit, hop (vogel).

PuflT {pof), s. geblaas, haal, rukwind, poederkwast, dof, pof, bovist, opvijzeling, bluf, snoeverg; —ball,—flat .zwam, bovist; — paate, luchtig gebak; — atone, tufsteen; —, v. a. opblazen, opgeblazen maken, opvijzelen (up), (away), wegblazen, verdreven; (up) opjagen ; to — (up) orticle», peraotia, undertak inga,. .. opvüzelen,aanprezen; (vergelijk: ery down); knowledge piiflfeth up. but chnrity edilletli, de kennis maakt opgeblazen, de liefde sticht; —, v. n. blazen, liggen, snoeven, zeer bedroefd zijn; (away« <off) wegsnellen; (by) voorbijstuiven; to be —ed wlth pride, opgeblazen zijn van trots; —er, s. blazer, snoever, opjager; — ineaa, s. opgeblazenlieid, winderigheid; — Ingly, ad. hygend, snuivend, bluffend, snoevend; —y, a. opgeblazen, gezwollen, winderig, snoevend.

Puf fin (po/in), ». waterhoen, zeepauw, bovist;

—apple, rabauw, grauwe renet.

Pug (pvg)% s. aapje, mops-, -noee, mopneus.

Pugh (pw), int. poe! bah!

Pugll (pjüdzil), ê. handjevol; —lam, s. het vuistvechten, vuistgevecht; —lat, s. vuistvechter. _

Pugnaci oua (po^nef#**), a. strydlustig; —ty,

strijdlustigheid.

Puiane (pjüni), a. jonger, klein, gering. Puiaaan ce (piikisans), a. macht; —t, a. — t-

ly, ad. machtig, sterk.

Puke (pjük), a. zie Puce; —,s. braakmiddel,

braaksel; —, v. n. braken.

Pulchritude (polkritjud), s. schoonheid. Pul e (pjül), v. n. piepen, kreunen; — Ing, s.

gepiep, gekreun.

Pull (pul), s. ruk, trek, teug; to give a —, een ruk geven; give another —! trek nog eens ! to have the — over one, iemand de baas zijn; —back, beletsel; —, v. a. « n. rukken, trekken, plukken, scheuren, roeien, (down) neerhalen, sloopen, vernederen, (ofT) aftrekken, afrukken, (on) aantrekken, (out) uitrukken, op de rede halen, (up) optrekken,

uitrukken, stil houden; —youraelftogether,

verman u; zet je beste beentje vóór; he wlll — through, I hope, liy zal er wel weer bovenop komen, hij zal zich er wel doorslaan, hoop ik; to — a face, een lang gezicht

zetten ; — up a good heart! schep moed. —er, s. plukker, trekker.

Pullet (pulit), s. kuiken.

Pulley (patft), *. katrol, takel; —door, deur met een gewicht; — plece, kniestuk (aan

een harnas). . . ...

Pullula te (pnljulett), v, n. kiemen, uitloo-

pen; —tion (pDljületi'n), s. kieming. Pnlmonary ipnlmanari), a. van de longen, long-; — diaeaae, longziekte; — conaumption, longtering: —vein, longader. Puliiionic (pnhnonik), a. van de longen, long-;

—, s. longmiddel, longlijder.

Pulp (polp), s. zachte massa, merg, vleescn (van vruchten); — iiig«iiilll, molen ter oot» bolstering der koffieboonen.

Pulpit (pulpit), s. spreekgestoelte, kansel; oratory (eloquence), kanselwelsprekendheid; —orator, kanselredenaar; — thumper, kanselklopper (minachtend voor: dominé). Pulp oua (pnlp»»), —y, a. week, vleezig;

—ouaneaa, s. weekheid, vleezigheid.

Pulaat e (p&ltit), v. n. kloppen, tikken; —11e, a. kloppend; —He drum, trom, waarop geslagen kan worden; —ion (polseti'n), s. klopping, polsslag; —or, s. klopper, tikker, houtworm; —ory (patotsri), a. kloppend, tikkend.

Pul» e (pvl»)% s. pols, polsslag, schommeling, peulvrucht; a low —e, een zwakke pol»; to feel one'a —e, iemand den pols voelen, (fig. polsen); —e, v. a. stooten, drijven, v.n. slaan, kloppen; —Mc (pvlstfik), a. den pols opwekkend ; —ion (pnli'n), s. voortstooting, slag, stoot.

Pulver able (pnlt9r»Vl), a. vergruisbaar; —ization, s. vergruizing, fijnstamping;—l*e (pvlvjraiz), v. a. fijn (tot poeder) wrijven of stooten; —nlence (pvlverjuUn»), s. stoffigheid ; —nlciftt, a. stoffig.

Pul vil (palvil), s. reukpoeder; —, v. a. met

reukpoeder bestrooien.

Pumice (pj&mix), s. puimsteen; —oua (pju-

mifos), a. puimsteenachtig.

Pump (pomp), s. pomp,dansschoen; lift-ana force—, zuig- en perspomp; —bolt, pompbout; —bore, hart eener pomp; air—, luchtpomp; to fetch a —, een pomp aan den gang brengen; to free a —, een pomp lensen; —borer,schulpboor; —brake, pompgek, zwengel; —clatern, pompbak; —dale, pompdaal; —gear, pomptoestel; —handle, pompslinger; —hook, pomphaak; —hoae, mamiering; —knlfe, knipmes; —rooiu, koerzaal; —acraper, pompschraper; — apear, pompstang; — atroke, pompslag; —water, pompwater; —well» wèlpomp; —, v. a. uitpompen, uithooren, polsen, v. n. pompen; —er, s. pomper, pomp.

Pump Ion (pompjan), —kin, s. pompoen. Pun (pvn), s. woordspeling; —, v. a. door woordspelingen overreden, v. n. woordspelingen maken (upon).

Punch (poni), 8. priem, stoot, stomp, punch (pons), hansworst, dikzak ; aa pleaaed aa —, I erg in zijn nopjes; as proud aa —♦ too

20

Sluiten