Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PüN. - PUB.

trotscli ali een pauw; — and Juüy. Jan en TrU», Jan Klaasenspel; — bowl, punch-kom; —machine, pons- of boormachine; —etrailier, punch-zeef; —, v. a. doorboren, stooten, •tompen; — y, a. kort en dik.

l*uuch eon {poni»n), •. priem, bres, puntboor, doorslag», letterstempel, vat; —er, s. gaatjesmaker, priem; — Inello (poniineló), s. hansworst.

Punctate(d) (pur^teitid), a. in een punt getrokken, vol gaatjes.

Punctlli o (pvr^ttljÓ), s. overdreven nauwgezetheid, spitsvondigheid; to «tand upon —os. overdreven precies zUn; —out, a. — oualy, ad. overdreven, nauwgezet, stipt, spitsvondig; — ouwneaa, s. overdreven stiptheid, spitsvondigheid.

Puuctu al (pnn,ktju9l), a. — ally, ad. stipt, nauwgezet ; —al to a miuute, op de minuut af; — ality. — alneaa. s. stiptheid; — at®, v. a. punctueeren; — ation (ponktjuelf'«), s. punctuatie; —re, s. prikje; v. a. prikken, openprikken, opensteken.

Pung (ptn\), s. trek-, vrachtslede.

Puugea cy (pmndSmti), s. scherpte, bitterheid, het grievende; — t,a. —tly,ud.stekend, scherp, bijtend.

Pui»ic (pjiknik), a. l unisch, trouweloos, verraderlijk (—faith); -coui (pjunté9*), a. purperkleurig.

Puniiieea (:pjünvi98), s. kleinheid, onbeduidendheid.

PuiiUh (pnniS), v.a. straffen; —able.a.strafbaar; —er, s. straffer; —ment, 8. straf; 011 —ment of death, op straffe des doods.

Punit Ive (pjiknitiv), — ory, a.straffend,straf-; —Ive expeditlou. strafexpeditie.

Punk (poi{k), s. lichtekooi, slet.

Punater (ponst#), s. liefhebber van woordspelingen.

Punt (pont), s. pont; —, v. a. boomen, voortduwen (eene boot); v. n. tegen den bankier spelen; —er, s. pointeur, tegenspeler.

Puuy (pjüni), a. klein, zwak,schraal, gering; —, s. nieuweling, onervarene.

Pup (pvp), s. jouge hond; —, v. n. jongen werpen.

Pupa (pjikp9), (pl. pupae), s. pop (van een insect).

Pupil (pjüp'l), s. leerling, pupil, oogappel; —teacher, kweekeling; —age, s. minderjarigheid, leeftyd; —ary, a. van minderjarigen.

Puppet (pup9t), b. draadpop, zot, kwant, nuf; —show, poppenspel.

Puppy {popi}, ». jonge hond, vlegel, lafbek, kwast; —, v. n. jon^-en ; —ism, s. vlegelachtigheid, kwasterigheid.

Purblind (pAblaind), a. beziend, kortzichtig, —nes», s. bijziendheid.

Pure lias able (p&té9*9b'l), a. koopbaar; —e, s. koop, in-, aankoop, spil, takel; — e deed, koopacte; —e anoney, koopsom ; —e prlee, koopprijs; —e, v. a. koopen, aan-, inkoopen, verkrijgen, opwinden; (out) boeten: —er, s. kooper.

Pure (pjüg), a. —ly, ad. rein,zuiver,onbevlekt, louter enkel; he I. a S|..ion - (eimple ».), hu is een onnoozele bloed, hals - —ly accidental, bloot toevallig; —ness.s'. reinheid, zuiverheid.

Purflle (pAfil), s. garneersel.

Purgation (pvpeti'Ji), ». zuivering.

«ff1. Ive (P*?»#®).». zuiverend, s. purgeermidde.; —ory, a. zuiverend, louterend, s. vagevuur. '

Purge (pvd£), s. purgeermiddel; —, v. a reinigen (away, oll'j; zuiveren (from, of); doen purgeeren; —, v. n. zuiver worden, purgeeren ;—r, s. reiniger, purgeermiddel.

Purging {pAdém). s. loslijvigheid, buikloop, purgatie; —bind weed, purgeerwiude ; — —flax, klein vlaskruid; —graiu, purgeerkorrels ; —nut, purgeernoot.

Purificat ion, (pjürijiketé'n). s. reiniging, zuivering; —Ive, —ory, a, reiuigend, zuiverend.

Purlf Ier (pjArifai9). s. reiniger, zuiveraar—-y (pjurifai), v. a. reinigen, zuiveren, louteren, v. n. zuiver worden.

Purim (pjürim). s. Purimfeest (der Joden)

Pur lam (pjürizm), a. taalzifter^ ; -|»t, s. taalzifter.

Puritan (pj*rit9n), s. puritein, schtfubeilige; — —leal, a. puriteinsch; —isiu, s'.

de leer (het stelsel) der puriteinen.

Purlty (■ufrriti), s. reinheid, zuiverheid, onschuld, kuischheid.

Purl (pvl), s. gemurmel, gekabbel, kruidenbier, alsembier, gestikte rand; — v. a. stikken; v. n. murmelen, kabbelen.

Purl ieu (pAljü), s. voorhout, grens, omtrekkabbel"* dwttlsl)u,k; "~lu8» 8* gemurmel, ge-

Purloin (pvlotn), v. a. stelen, ontvreemden; —«p. ». dief; —Ing, s. ontvreemding.

Purparty (pApdti), s. aandeel (rechtst.)

1 urple (pAp l)% a. purperkleurig; —, s. purper, purperkleur; —apple, purperappel; — —clierry, Virginlsche pruimeboom; — chickweed, rood zaudkruid; — emperor. — shadet, pl. purpervlinder; -flower. hvacint; — graas, roode weideklaver; — royal, hoog purperrood -. -velvet, duizendschoon ;

wnelk,trompetslak;—willow, waterwilg; —, v. a. purperrood verven; —pl. purperscharlakenkoorts.

Purpliah (pAplié), a. purperachtig.

Purport (pApót), s. inhoud, zin, strekking; —, v. a. meenen, bedoelen, behelzen.

Purpoae (pAp9»U s. oogmerk, doeleinde, voornemen, gevolg, uitwerking, inhoud, voorbeeld; on —, met opzet; to tlie —, ter zake; to uo —, te vergeefs ; lor what — ? met welk doel ? to good (email) —, met veel (weinig) succes; to all intente and a, in alle opzichten; to play at crun» —a,(gezelschapsspel) „verkeerde antwoorden"; —, v. a. beoogen, voornemen; v. n. voornemens zijn; man — a. God dUpoaea, de mensch wikt, God beschikt; —leaa, a. doellooa; —ly, ad. opzettelijk.

Sluiten