Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

QUA. - QUA.

—reine (kwodririm), «. galei met vier roeibanken; —syllalde (kwodriHtiV l)t s. vierlettergrepig woord; — valve, a. vierkleppig; —volvet* (kwodrivaslvz), pl. deur niet vier vleugels; — viol (ktvadrtvj»l), a. viersprongs-.

Quadroon (ktcodrün), s. quateron (uit een' blanke en eene mulattin geborene).

Qtiadruuian o [kwodrAmsna), pl.vierhandige dieren; —ons. a. vierhandig.

Quadru ped (ktcodrupad), a. viervoetig; — ple, a. — ply. ad. viervoudig; —ple, —pllcote (kwodrwplikcit), v. a. verviervoudigen; —plication lktrodriipliketé'n), s. verviervoudiging.

QualT (kicdf), v. a. & n. zuipen (oflf); naar binnen staan; —er. b. zuiper, zuiplap.

Quag (&»*<£<;); —mire, s. moerasgrond, moeras; —tsy* a' moerassig.

Quail (kweil), a. kwartel; —plpe, lokfluitje; —, v. a. ter neder slaan, den moed benemen, v. n. verkwijnen, den moed laten zinken.

Quaint (kwei.it), a.; — ly, ad. net, keurig, fijn uitgedacht,sluw,gemaakt,gekunsteld,vreemd, wonderlijk; —ness, s. netheid, gemaaktheid, wonderlijkheid.

Quake (kweik), s. schudding, siddering; —, v. n. beven, sidderen, trillen (with); —r, s. bever, sidderaal'. kwaker; a —r gun, een loos kanon ; — risut, s. leer der kwakers.

Qualif iable (ktoolifaisb'l), a. vatbaar voor wijziging; —ication (kwoli/lkelé' u), s. bevoegdheid, bevoegdinaking, benoeming, wijziging, beperking, eigenschap; —led (kicolit• aid), a. bevoegd, geschikt; (for) gewijzigd, beperkt; —led property, tijdelijk bezit; — led praise, voorwaardelijke lof; —Ier, s. bevoegdmaker, wyziger; —y, v. a. geschikt (bevoegd) maken; (for) benoemen, wijzigen, beperken, matigen; to —y the rigor of martial law, de strengheid eener krijgswet matigen, temperen; a —ylng exanilnation. een acte-exauien; to l»e —led for ajudge, opgeleid (benoemd) worden tot rechter.

Quality (kwoliti), s. hoedanigheid, aard, inborst, soort, aanzien, rang; the —, de aanzienlijken.

Qualm (kwam), s. misselijkheid; —Ish, a. misselijk; —luimess, s. misselijkheid.

Quandary (ktcondari), s. twijfel, verlegenheid; to be In a —, in de verlegenheid zitten.

Quantit ative (kwontiteitiv); —Ive, a. volgens de hoeveelheid te schatten; —y,s. hoeveelheid, menigte, grootte, lengte.

Quantum (ktcontam), s. hoeveelheid, bedrag.

Quarautine (kwor»ntin), s. quarantaine-, —, v. a. aan quarantaine onderwerpen; to pas* —-, aan de quarantaine onderworpen zijn; — flags are holsted, quarantaine vlaggen worden geheschen.

Quarrel (kworal), s. twist, krakeel, diamant, glasruit; to fasten a — upoii (to plek a — with), ruzie zoeken met; —pieker, twistzoeker; —, v. n. twisten, krakeelen (about, for); to — with one's toolti, niet met zijn gereedschappen overweg kunne», een

slecht werkman zijn; to — with one s bread and butter (flg.), het koren van zijn eigen molen wegzenden; —Ier, s. twister; — lous. -some, a. twistziek; —someness,

h. twistzucht.

Quarry (ktcori), s. steengroeve, aas, prooi, vierkant, ruit; —man,steengraver; — stone, ruwe steen; —, v. a. uitgraven, opdelven.

Quart (kicóst), s. vierendeel, kwart, vierde, kwartier; —an, a. vierdendaagsch (-ague, —fever); — atlon, s. vierendeeling.

Quarter (kiróat»), s. vierdedeel, vierendeel, kwart, vierde, kwartier, kwartaal, gewest, streek, wyk, veld, legerplaats, verblijf, lijfsgenade, hielstuk, windvering ;to aak (crave> —, om genade (kwartier) vragen: to glve —, kwartier geven; to rome to cloae —» with an eneuiy. met een vijand handgemeen raken; to stand at —s, gereed staan voor den strijd; to liave friends at head —s, (flg.) veelvermogende vrienden hebben; to go int o winter —s, de winterkwartieren betrekken; 01» the —, bakstagswyze; — of muttoik, schapebout; —biII, geschutrol; — elotli, schanskleed; — day, eerste dag van elk kwartaal, betaaldag; —deck, halfdek; —gallery, zijgalerij; -gunner, konstabelsmaat ; —ladder, stormladder; — o»aster, kwartiermeester, schieman; —nettiiig, vinkenet van het achterdek; — piece, hielstuk, staatshout; —rails, pl. regelingen der verschansing van liet halfdek;—ranger, boschwachter ; —round, kwartstaf, eirond; — seswionA, driemaandelijksche rechtszitting; —«tal!*, vechtknuppel; —tackle, handtalie; —wind, bakstag*wind.

Quarter (kicó9ta), v. a. vierendeelen, inkwartieren, voeren (in het wapen), v. n. in kwartier liggen, verblijf houden; —age, s. kwartaalgeld; —iiig, s. vierendeeling, inkwartiering; —ly, a. driemaandelijksch, ad. driemaandelijks, s. driemaandelij ksch tijdschrift.

Quart ern (kwó»t9n), s. kwrrt, pint; —et (kwó9tet), s. quartet, vierregelig vers; — ile, s. aspect van 00 graden.

Quarto (kwó»tö), a. quarto; —, s.quarto-formaat, quartijn.

Quartz (kwóats), s. kwarts; — rhomblc, gemeen veldspaath; —ite. —rock, kwartsrots» —ose, —y, kwartsachtig, kwarts-,

Quash (kicóè), s. pompoen; —, v. a. verpletteren, vernietigen (een vonnis b.v.), v. n. dreunen, rommelen, klokken.

Quassatiou (kwtesetti'n), s. schudding.

Quassia (kicttré»), s. bitterhouthoom.

Quat (kwot), s. puistje, onbeduidend mensch.

Quatercousius (keitaknz'ns). pl. bloedverwanten tot in den vierden graad, verre neven of nichten.

Quateru ary (kwatónari), a. uit vier bestaand; —ary, —ion, s. viertal.

Quatrain (kwotrein, katrein), s. vierregelig versje.

Quaver (kwetva), s. triller, achtste noot; —, v. n. vibreeren, een triller maken.

Sluiten