Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KAB. - RAK.

a. rabbynsch; —iat, s. rabbinist, talmudist.

Rabblt (rafbit), s. kongn; poor—, arme rot; —warren, konijnenberg.

Kalible (rttb'/), s. prauw, janhagel.

Rabdology (rabdohdzi), §. rekenkunde met staatjes.

Rabld (rasbid), a. dol, woedend; — neus, s. dolheid, woede.

Rabies (retbi-iz), s. dolheid.

Kabinet (mbinat), s. veldstuk, veldslang.

Kacconn (rgkikn), s. wasbeer.

Race (reis), s. ras, geslacht, stam, wedloop, wedren, sterke smaak, geur; —courie, renbaan; —ginger, gemberwortel; — liome, renpaard; —, v. n. harddraven, rennen.

Raceiu ation (rcenmeté'n), b. tros; — of •BR», eierstok; — e (rjsim), s. tros; — iferoua (ra«9m(farss), a. trosdragend.

Rac er (retsa), s. wedlooper, renpaard; —ineas, 8. kracht, geuriglieid; —y, a. pittig, geurig.

Rack (ralc), b. rekker, spanner, pijnbank, foltering, rek, kapstok, spinrokken, ruit', brandbok, wagenlidder, vliegende wolk, telgang, spinrad, arak, duizendbeen, nagelbank; to put to the —, op de pijnbank leggen; to go- to — and ruin, geheel verloren gaan; —rent, drukkende pacht; —reuter, die eene drukkende pacht betaalt of eischt; —, v. a. rekken, spannen, pijnigen, folteren, uitmergelen, verwringen, aftappen, klaren (ofT), v. n. dryven, gejaagd worden (als wolken), den telgang gaan; —er, rekker, pijniger, uitzuiger.

Racket (raskat), s. raket, geraas, gebabbel, sneeuwschoen; to kick up an awfiil —, een vreeslik leven maken; —», raket- of balspel; —, v. a. slaan, kaatsen, v. n. tieren, leven maken; —y, a. schreeuwend, tierend.

Racking (r«tkii\), s. foltering, kruising eener talie, aftapping; —pace, vlugge telgang.

Racy (retsi), a. geurig, sterk.

Raddie (rafd'l), s. heg van gevlochten takken; —, v. a. samenvlechten, verwarren.

Radi al (retdjel), a. stralend, straalvormig; —ance, — ancy, s. straling, glans; — ant, &• —antly, ad. stralend; —ate, v. a. bestralen, v. n. stralen; —ation, s. straling.

Radica 1 (rctditf l), s. grondwoord, grondstof; radicaal; —I, a. —lly, ad. oorspronkelijk, geheel; —liam. s. stelsel der radicalen; — —Ilty (rcedikailiti), —Ineaa, s. oorspronkelijkheid, grondigheid; —te, v. a. diep planten, doen inwortelen; — tion (reedilceté'n), s. inworteling.

Radicle (rardik'I), s. wortelkiem, worteltje.

Radish (ratdié), s. radijs; horae-—«mierikswortel.

Radius (reirljgs), s. radius, straal, spaak.

Radix (retdiks), s. wortel, grondgetal.

RafT (reef), s. verwarde hoop, gespuis.

Rafïle (r<*f l), s. lotery, tombola, verloting; —, v. n. dobbelen, verloten (for).

Raft (rdft), s. vlot; —'i-man, houtvlotter; —, v. a. op (als) een vlot vervoeren.

Rafter [raft»), s. dwarsbalk, dakspar.

Rag (reeg), s. vod, lomp, lor;—bolt, takbout,

bout met weerhaken; —man, voddenraper; —-paper, waardeloos papier (effecten); — •orter, voddenuitzoeker; — atoue, zandsteen; —wheel, kamrad; — wort, fet. Jacobs-kruid.

Ragainuffin (reeg amu fin), b. schobbejak, vlegel.

Rage (reidz), s. woede, razernij (for, of); to be in (to get into) a —, woedend zijn (worden); —, v. n. woeden, razen, tieren; —lui, a. verwoed.

Ragged (rtrgid), a. schabberig, in lompen gekleed, ruw; — eyebrow», borstelige wenkbrauwen; —school, school voor havelooze kinderen ; —ness, s. schabberigheid.

Raging (retdziv,), s. het woeden, razen;—,a ad. woedend, razend.

Rag«>o, Ragout (rjoik), s. ragoüt.

Raid (reid), s. vijandelijke inval, strooptocht; —, v. n. een inval doen.

Rail (reil), s. richel, dwarsbalk, slagboom, leuning, latwerk, hek, spoorstaaf, wachtelkoning, regeling; to ruu oir the — a, ontsporen ; —road, — way, spoorweg, -baan; —way-compauy, spooi weg-niaatschapplj; — way-guard, conducteur.spoor-conduct eur; — way-i»tation,spoorwegstation;—way-«hare, spoorwegaandeel: — waytrack, spoorbaan; —, v. a. omrasteren, op eene rU plaatsen, v. n. schimpen, smalen, lasteren (against at);

er, s. spotter ; —ing, s. traliewerk, leuning, spotternij; — i»»g, a. — Ingly, ad. spottend.

Haillery (reilari), b. boert, scherts.

Raiuient (retm'nt), s. kleeding.

Rain (rein), ». regen; a «mail — lava great du»t, kleine oorzaken hebben groote gevolgen ; ft never —a but lt poura (zie Pour); u.'j"1"8 cat* a,ld d°K" (zie Cat); — bird, regenvogel; — bow, regenboog; — bow "ah, regenboogvisch, livereiknecht; —deer, rendier; —fall, regenval; —fowl, groene specht; —gauge,regenmeter; —time, regentijd; —water, regenwater;—, v. n. regenen; —ineas, g. regenachtigheid; —y, a. regenachtig; the —y aeaann, de regentijd; to lay by aomethiiig for a —y day, een appeltje voor den dorst bewaren.

Ralse (reiz), v. a. oplichten, opheffen, opzetten, oprichten, verhoogen, verheffen, doen rijzen, doen ontstaan, verwekken, opwekken, aanvuren, heffen, lichten, werven, opbreken; to — a stege,een beleg opbreken; to — money, geld opnemen; to — a loan, een leening uitschrijven, sluiten; to — the wind, geld zien los te krijgen; to —the liue and cry, met luid geschreeuw nazitten; to — quarrels, twisten veroorzaken; to — questions, vragen opwerpen; —r, s. opheffer, oprichter, heffer.

Ralalii (retz'n), s. rozijn.

Rajah (rndzs), s. radjah (Indisch vorst).

Rake (reik), s. hark, lichtmis, kielwater; —, v. a. harken, bijeenschrapen, inrekenen, oprakelen (up); opwroeten (up); v. n. harken, schrapen, een los leven leiden; (Into) wroeten in, nauwkeurig onderzoeken; to — up old

Sluiten