Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RUB. — RUN.

•t bowl*, you mast look oat fop — ber», wie kaatst moet den bal verwachten ; India —, gom elastiek; — blah. s. pain, afval, vuilnis, onzin, geklets; —biah shot hert», liler mag vuilnis, puin ens. gestort worden.

Rubescent (rubei'7it), o. roodwordend.

Rabi cm» (rikbik9n), a. rosbont; —cmid, a. roodnehto», blozend; -wl, a. robijnrood; — fle (rubi/lk), a. roodmakend; — fy, ▼. a. rood maken.

Ruble (rikb'l), s. roebel; zilveren roebel ƒ 1.00; papieren roebel ƒ0.51.

Rabric (rikbrik), a. rood gemerkt, s. afdeeling, rubriek, roomsche kerkregels; — «I, a. met rood gemerkt, in rubrieken verdeeld; —«te. v. a. met rood merken.

Ruby (rikbi), a. rood; —, s. robijn, roode puist.

Ruck (rvk), s. kreukel, plooi, hoop, troep, groote menigte; whnt the — of ailent men snin by wiiMting their live* at Westmimter ia a puzzle, wat de groote hoop zwijgenden winnen door het verslaten van liun leven te Westminster is een randsel; If yon*re alaek, you'll Juat rank In wlth the —, als ge traag en nalatig zjjt, zult ge tot de groote menigte behooren; —, v. a. kreuken, v. n. neerbukken.

Ructation (rokteté'n), s. oprisping.

Hadder (rud9), s. roer; —caae,stuurreepkoker; —chain. zorgketting; —coat.roerbroeking; —head, roerkop; —-poat. roerpen ; —-atrap, roerstrop; —tackle, roertalie; — yoke, roerjuk.

Rudd Ineaa (rnclin»*), 8. roodheid; — Ie, s. roodaarde; v. a. met rood krijt teekenen; —ock, s. roodborstje; —y, a. rood, blozend.

Rade (rwdj, a. — ly, ad. ruw, grof, lomp, onbeschaafd;—attack.ruwe aanval; -worli» manship, ruw, grof werk; — aeaaon, bar jaargetijde; — neaa, s. ruwheid, lompheid, onbeschaafdheid.

Rudiment (rikdim9nt), s. grondbeginsel; —al (rudimentsl), n. aanvankelijk, eerstbeginnend.

Rue (rü), s. wijnruit, berouw; —, v. a. betreuren, berouw hebben over;—ful.a.—fully, ad. treurig, berouwhebbend; knight of the —ful countenaiice, ridder van de droevige figuur; —fulnea*. s. treurigheid.

RufT (rvf), s. plooi, halskraag, kappertje,goud* baars, kemphaan, troef, hoogte; —, v. a. kreuken, troeven.

Rafflan (mfjsn), a. — ly, —llke, ad. woest, barbaarsch ; —, s. woesteling, barbaar, booswicht, moordenaar.

Ruf fle {ruf'l), s. manchet, lub, hom, getier, krakeel, roffel; to pat in a —, onrust stoken, in verwarring brengen; —, v.a.frommelen, kreuken, plooien, bijeenrapen, in verwarring brengen, doen ontstellen, v. n. ruw worden, krakeelen, fladderen; —r.schreeuwer, schetteraar; —d temper, verstoord humeur; —d feather*. opgezette veeren (van vogels).

Rufous [rik/98), u. roodachtig.

Rag (tdü), 8. reisdeken, kleedje; hearth —,

haardkleedje; —Red, a. —gedly, ad. ruig, hobbelig, ruw, wrang, knorrig; —gedneaa, s. ruigte, ruwheid, barschheid.

Rug oua (rikff98), a. rimpelig; —oaity (rtZ008iti), a. rimpeligheid.

Ruin (rik in), s. val, verval, instorting, ondergang, verderf, puinhoop; to be on the brink of —, aan den rand van ondergang I zijn ; to fall int o — a. een puinhoop worden; to go to wreek and —, geheel te gronde gaan; —, v. a. verwoesten, te gronde richten, ' in 't verderf storten, v. n. vervallen, instorten, te gronde gaan; —oua, a. —oualy, ad. bouwvallig, verderfelijk; -ouaneaa.s. bouwvalligheid, verderfelijkheid.

Rule (rul), 8. liniaal, duimstok, regel, orde, voorschrift, model, richtsnoer, regeering; aa a —, in den regel; — of three. regel van drieën; by — of tliiiinb, uit de praktijk; tlie —• of the houae, het reglement van het huis; to lay down a — (to make it a —), als regel stellen; —, v. a. linieeren, regelen, regeeren (over); to — the roost (zie Rooat); to — witiieaaea out ofcoart, getuigen wraken; raling*pricea, heerschende (markt) prijzen; — r, s. heerscher, bestuurder, liniaal.

Rum (rom), a. zonderling, ouderwetsch; —, s. rum.

Runihl e (rnmb'l), s. gerommel, gestommel, zitplaats (achter een rijtuig); —e, v. n. rommelen; — ing, s. zie Rumble,

Rumina nt (rikmirunt), a. herkauwend, t. herkauwend dier; —te (rikmineit), v. a. ftn. herkauwen, overpeinzen (on, upon); —tion (rumitieii'n), s. herkauwing, overpeinzing; —tor, s. herkauwer, overpeinzer.

Rummage (romidé), s. geraas, onderzoek, gesnuffel; —, v. a. doorsnuffelen, doorzoeken, v. n. snuffelen (for, naar).

Rniititter (rums), s. roemer, bokaal.

Rumo(u)r (rikm9), s. gerucht; —, v. a. verbreiden, uitstrooien; —er, s. uitstrooien

Rump (rvmp), s. stuitbeen, kruis, rompparlement (1050); to invite one to a — and (lozen, iemand no<»digen op een flink maal met wjjn erbij;—bone,schaambeen;—-fed, dikbuikig; —-steak, biefstuk.

Riimple (■mmp'l), s. kreuk, vouw; —, v. a. kreuken.

Run (rvn), s. loop, gang, vaart, voortgang aanloop, toeloop, rumoer, verzet, omzet, boek, spot, manier, gros, aantul, koers, zeewater, achterschip (lu); at the long —, op den duur, door lengte van tijd; bille at long , —, wissels op langen datum; a — on the bank, bestorming van de bank (om terug betaling van gedeponeerd geld); a — «f luck, aanhoudend winnen, boffen; "Patience*

had a grent — maakte verbazen!

veel opgang; a — of more tlian 301 nighta, een reeks van meer dan SOO vooistellingen ; the general — of people, ds meerderheid der mensehen; the conunoi — of uiortals. het gros der stervelingen.

Run (rvn), v. a. loopen, indrijven, steken, jagen,

Sluiten