Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SAT. — SCA.

S.ifp«p (reifrtp), s. satraap; —y (tartrgpij, ! h. landvoogdij.

Niihirn blf (cfrO'uwfc'^a verzadinbaar;—ut, ' verzadigend: —te. v. a. verzadigen; — ] Hoi» (ytetjnreiS'n), a. verzadiging.

Saturday ittrtgdei), 8. Zaterdag.

Saturn (#a?ten), s. Saturnus, lood, zwart; — als (9»t&n9lz), pl. Saturnusfeesten, zwelgpartijen; —Ine, a. zwaarmoedig, droefgeestig.

Satyr (ttrt»), s. boschgod, sater; —Ion ($»ttr8. knaapjeskruid.

Mnuce (tót), s. saus, onbeschaamdheid; hunger ia the beat —, honger is de beste kok ; to serve the saute —, met gelijke munt betalen ; none of your — (cf. rheek), wees niet brutaal. Alsjeblieft; — all, -alone, knoflookkruid; —boat, sauskommetje; —box, onbeschaamde vlegel; —pan, braadpan; —, v. a. sausen, kruiden; —r. s. schoteltje, sauskom ; —eye, groot oog, kalfsoog.

Sauc Iness (tónna*), s. onbeschaamdheid; -ily. ad. —y, a. onbeschaamd.

Saunders <jand9z), s. — wood, sandelhout.

Snunter (*ónt9, tónt»), v. n. slenteren, ronddrentelen ; —er, 8. lanterfanter, straatslijper.

Saurlait (tórian), s. hagedis.

Sausage (tó*idz), s. saucijs, worst; —roll, saucijzenbroodje.

Sa vage (ttrvidz), a. — ly, wild, woest, wreed; —, s. wilde; —ness, —ry, s. wildheid, woestheid, wreedheid.

Savanna (*9vam9), 8. Havanna, uitgestrekte grasvlakte.

Save (teiv), ad. & prp. behalve, behoudens; — errora, behoudens vergissingen, (vergelijk E. E. — errora excepted); — your revereuce, met allen eerbied voor ÜEd.; —, v, a. redden (from), behouden, bewaren, besparen, v.n. sparen, bezuinigen; to — one's bacon, zich uit de voeten makeng^tó — appearauces. den schijn redden ;Oiaving ia having, wie wat bespaart, heeft wat;—-all, s. profijtertje; —-oil, oliebak (machine);—r, s. redder, verlosser, opgtóirder, bezuiniger.

Savin (ta-vin), s. zevenboom.

Savitig (vetoin), a. ad. spaarzaam, zuinig (of;, reddend; —, ad. & prp. behalve, behoudens • —, s. besparing, spaarpenning, uitzondering, voorbehoud, redding, behoud; -a-bank, spaarbank; —s-hank book,spaarbankboekje; -ness, s. zuinigheid.

Savlor, Saviour (setvj9), s. Zaligmaker, Heiland, Verlosser.

Savonet (tffV97i9t), 8. zeepbal.

Savour (teivs), s. smaak, geur; —, v. a. proeven, smaak vinden in, v. n. smaken, rieken (of, naar); -lly. ad. —y, a. smakelijk, geurig, streelend; —iness, s. smakelijkheid, geurigheid; —lens, a. smakeloos, reukeloos; —y, s. boonenkruid.

Savoy (t9VOt), b. savooiekool.

Saw (tó), b. zaag, spreuk, gezegde; bend—, spanzaag; clrcular —, rond (circuleer)zaag; hand—, handzaag: twodiaml—, kraanzaag; —blade, zaatrbiad; —duat, zaagsel; —file, zaagvijl; —flsli, zaagvisch ; —mill, I

zaagmolen: —pit, zaagkuil;—wort.schoorkruid ; —wrest, taudzetter.

Saw (*<J>), v. a. zagen, (down) aan stukken zagen; —, v. n. zagen, zich laten zagen; — er, —yer, s. zager.

Saxifrag e!strkrifreidz), s. steenbreke (plant); —oua, a. steenoplossend.

Say (tai ), 8. saai, monster, proef, gezegde.

Say (tei), v. a. & n. zeggen, opzeggen; to have (—) one's —, een woordje meepraten; I —« man! hoor eens, man! to — one's lessons, de les opzeggen; to — one's prayers, bidden, zijn gebeden opzeggen; — your —! spreek vrijuit! you dou't — ao! och kom! is 't mogelijk? — one liundred pountls.laat ons zeg-gen £100 to — the uiass, de mis lezen; — ing, s. (liet) zeggen, gezegde, spreuk; —Ing and doing are different tlilngs, zeggen en doen zijn twee; that is —Ing anuch, a go»«l deal, n»y boy, dat zegt veel, mijn jongen; to — one nay, iemand weigeren; tliere is no — ingwliat ■nay happen next, men kan onmogelijk zeggen, wat er dan zal gebeuren; as the —ing is. zooals het spreekwoord luidt.

Scab (tkab), s. roof, korst, schurft, schoft; — bard, s. scheede; —bed, —by, a. schurftig, gemeen, armzalig; —beduess, —blues», s. schurftigheid, gemeenheid, armzaligheid; — ious (tkelbi9t), a. schurftig, s. schurftkruid.

Scnbrous (xAefAr?*, sktrbrjt), a. ruw, hobbelig, hard, onwelluidend; -ness. s. ruw-

^ beid, hobbeligheid, onwelluidendheid.

Scaffold (tktrföld), s. stellage, steiger, schavot; —, v. a. van een' steiger voorzien; —age, —ing, «. stellage, steiger.

Scala ble tukeiteb'i), a. beklimbaar; —de, —do (tk9leidó), 8. beklimming met stormladders ; —ry, a. trapswijze.

Scald (tkóld), —er, s. skalde, bard, dichter; —ic. a. van een skalde.

Scald (tkóld), a. schurftig, armzalig; —, s. schurft, brandwond; —head, schurftkop; —, v. a. branden, schroeien; —Ing hot, gloeiend heet.

Seal e (tkeil), s. schaal, mnatstaf: (de) weegschaal, schub, schilfer, ladder; sliding — e, beweeglijke schaal, veranderlijke maatstaf; on a grand —e, op grooten voet; on n large smallj —e op groote (kleine) schaal; to turn the —e, de schaal doen overhellen, den doorslag geven; the —es have Tallen from niy eyes, de schellen zijn mij van de oogen gevallen ; —-beaui, evenaar; —e, v. a. beklimmen, wegen, afmeten, afschubben ; v. n. schilferen; —ed, a. geschubd; —eless, a. ongeschubd; —ene (tk9lin), a. ongelijkzijdig, schuin-, — luess. s. schilferigheid ; — ing, s. beklimming; —ing-larider,stormladder ; —es, weegschaal, «• pair of —es, een weegschaal; the —es, de weegschaal (sterrenbeeld).

Seall (*/.<?/), s. haarworm, hoofdzeer, melaatsch-

beid.

Seallion (tktrh'n), s. sjalot.

Scallop (tka-'l+p), s. schelp, schulpwerk.

Sluiten