Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SCU. - SEA.

loopen, snellen (away) t lenzen; to -onder 1 bare polea, voor top en takel lenzen.

Scuddle (*knd'l)t v. n. wegtylen, dribbelen.

Mcuffle (ëJemfl), s. klopparty, geharrewar, gewoel; —, y. n. plukharen.

Sculk (ikvlk), v. n. zich schuil honden, sluipen; —er, •. schuiler, sluiper, lafaard.

Mcull (tkvl), s. schedel, school, zwerm, hulk, wrikriem; —, y. n. wrikken; —er, s. roeischuitje, wrikker, —ery, s. schuurplaats, vatenwasflcherU, pottenkast.

Seulllon iskolj'n), s. keukenjongen, vatenwaschster. '

Sculpt ile (skalptil), a. gebeeldhouwd; -or, i b. beeldhouwer; — ural, a. beeldhouw-; — ure (akolpfjs), s. beeldhouw-, graveerkunst, beeldhouw-, snijwerk, gravure; —, v. a. beeldhouwen, snijden, graveeren.

Scum {tkom), s. schuim, metaalschuim, uit- | schot, uitvaagsel; —, v. a. afschuimen; to — the ore, het (gesmolten) erts afschuimen; —mer, s. schuimspaan.

Seupper [skop»), s. spie, spü; —holes, pl. spijgaten; —iiailn, pl. mamieringspykers, platkoppen; —plug, spügatprop; —pumpdnle, stortkoker.

Scurf {skvf ), s. korst, roof,schurft, bedekking; —iness, s. schurftigheid; — y, a. schurftig.

Scurril • (sknril); -oui, a. — oualy, ad. gemeen, plat; —Ity (tktriliti), -oaroeu, i. gemeenheid, platheid.

Scurv lly (tkévili), ad.; —y, a. scheurbuikig, schurftig, laag, gemeen, slecht; —Ineas, s. schurftigheid, laagheid, gemeenheid; —y, s. scheurbuik; —grass, lepelblad.

Scut (tkvt), s. korte staart, stompje, kortstaart (van rood wild).

Scutage [nkiktidz),s. — ahleld-moneyschildgeld, betaald onder Hendrik II (1154—1180), in plaats van persoonlUke diensten.

Scuteh (fkvti), y. a. hekelen (vlas); —eon (skoti'n), b. wapenschild, borstharnas.

Scutlforin, (skjiktiffom), a. schildvormig.

Scuttle (tkot'l), s. mand, kolenbak, luik, molentrechter, dribbelgang; eoal—, kolenemmer, kolenschep; corn—, korenwan; — butt, —eask, waterbak; — ,v. a. lek maken, doen zinken, v. n. snel loopen, dribbelen; the crew maaanered the captain and —d the boat, de bemanning vermoordde den kapitein en deed de boot zinken; ahe —d ofT lllce a thing posseaaed, z(j liep snel weg als een bezetene.

Scythe (satth), s. zeis; —, v. a. maaien.

9ea (el), *. zee, golf, baar, menigte; at—,ter zee; by —, over zee; half —a over, half beschonken; the narrow —a, het Engelsche Kanaal; rongh —, onstuimige zee; chop* ping —, holle zee; pooplng —, hooge zee van achteren; swelllng —, deinende zee; to be at —, op zee z\)n, het mis hebben, in de war z\jn; to be on the high —a, in volle zee zyn; to put to —, in zee steken; to go to (to follow) the —, zeeman (matroos) worden; wlthln the four —a, in Groot-Brittannië; —actlon, zeegevecht; —

anemone. zeeanemoon; —bank. zeeoever, zeedijk; —bar, zeezwaluw ; —-battle.zeeslag; —bathed, door de zee bespoeld; —beaat, zeemonster; —beat, —beaten.door de zee geteisterd;—belt, zeegras; —bind»weed. zeewinde; —blubber, zeenetel, kwal; — board, s. zeekust, ad. zeewanrts; —boat, zeeschip; — -bom, door dn zee voortgebracht, op zee geboren; —bound, door de zee begrensd ; —boy, scheepsjongen; —breach, inbreking van de zee; —bread, scheepsbeschuit; —breaka.pl. branding; —breeae. zeewind; —brief, zeebrief; —built.voor de zee gebouwd; —-burnlng. (het) doen stranden (van een schip); —cabbnge, —cale, gladde zeekool; —calf, zeekalf, rob; — rampion, zeetymkruid ; —-cap, schippersmuts;—captain, scheepskapitein; —card, windroos; —carp,zeekarper; —eauk.zeeton; —cat,hondshaai; —relandine,schelkruid ; —chart, zeekaart; —cl re led, door de zee ingesloten; —eoal, steenkool;—coast,zeekust; —cob, zeemeeuw; —cock, zeehaan; —cock-roach,zeeduizend heen;—compaas, zeekompas; —coot.zeeduivel; —eow, zeekoe, walrus; —ent, zeespin; —daflTodll, zeelelie; —-damaged, door zeewater beschadigd; —dog.zeehond, rob; —dotterel. zeekievit; —drag, zeebeslag (aan schepen); —dragon, zeedraak; —drake, zeekraai, zeeëend;—eagle, zeearend; —ear, zeeoor; —eel, zeeaal; —engagement, zeegevecht; —expreaalon.zeemansuitd rukking;— falry, zeenimf; —fan*, pl. zeemos; —farer, zeevaarder; —fariug. zeevarend; —fenelble, kustwachter: —fennel. zeevenkel; —flght. zeeslag; —flah, zeevisch; —forcea, pl.zeemacht ; —fowl, zeevogel;—gage,—gauge. diepgang; —garland, zeebloem; —gate. holte tusschen twee golven; —-glrt, door de zee omringd; —god. zeegod ;—gown,schippers py ; —grape,zeebies ; —graaa, zeegras; —green,a. zeegroen; s. steenbreke;—gud-

Eeon, zeegrondel; —gull, zeemeeuw; —edge-hog, zee-egel; —hen, zeehoen j— hog, brulnvisch ; —holly, braakdistel; — hol in, onbewoond eiland; —horae, walrus; —lacea, pl. zeedraden;—lamprey. groote zuiger; —language, zeemanstaal, —lead,dieplood; —lega, pl. zeevoeten; to have —lega, goed op het dek kunnen loopen; —-letter, scheepspaspoort; —-lettuee, wolfsmelk; —lerel.zeeoppervlakte; —llon, ceeleeuw; — loach,nij Igrondel; —longa, pl. zeeschuim, zeelong; —loom, bontvleugel, duiker (vogel); —niald, meermin; —man, zeeman, matroos; —nianahip, zeevaartkunde; —map, zeekaart; —mark, zeehaken; —martin, zeezwaluw ; —mew, zeemeeuw ;—monster, zeemonster; —inoon, zeester, -maan; —mos. kooraalplant; — needie, zeenaald; —nettle. zeenetel; — nymph.zeenimf; —-oak,zee-eik; —offleer, zeeofficier; —onlon,zeeajuin ; —ooxe, zeemodder ; —otter, zeeotter; —pad, zeester; —panther, zeepanter; —parrot, zeepape-

Sluiten