Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SHI. - SHO.

Shln Ing [ëatninj, — y, a. glinsterend, blin* Shoe (ëü), s. schoen, hoefijzer; dancing— s,

kend: —ing, s. schynsel, «flans. dansschoenen; pntent-ienther —s, gelakte

Shlp (iip), s. schip-,.to take—, scheep gaan; schoenen; wonden -a, klompen; ammuiil-

wnen my — comes home, (fijf.) als tioii — s, soldatenschoenen; prunello —s,

het schip met geld aankomt; —board, stoffen schoenen; to clean (black) —«,

scheepsplank, 'scheepsboord; —boat, schoenen poetsen; to step in one's—*,

sloep; —boy, scheepsjongen; —broker. (flg.) in iemands voetstappen treden; He

scheepsmakelaar; —builder, —wrlght, kuowi whrre the — plnches, hy weet,

scheepsbouwmeester; —canal, scheepvaart- waar hem de schoen wringt (knelt); he wlll

kanaal; —carpenter, scheepstimmerman; die In hls — s, hy zal aan de galg komen;

—chandler, koopman in scheepsbehneften; he wishes he were In my —a, hy wou

—-launch, (het) afioopen van een schip; — wel, dat hy in m'tfn plaats was; thnt'a n

snaater, scheepsgezagvoerder; —owner, qnlte different pair of — a, dnt is heel

reeder; —pnimd.schippond ; —sliape,a. & wat anders! to fllng au old — nfter one,

ad. naar scheepsgebruik, behoorlijk; —'a iemand een ouden schoen nairooien (oud volks-

haaband, de agent van den reeder, die voor geloof by huwelijken); —bill.—tnck.schoen-

de proviandeering, reparaties enz. zorgt; — spyker;—black, —boy, schoenpoetser; —

worm, paalworm; —wreek, s. schipbreuk, blacking, schoensmeer; —bruali, schoen*

wrak, ▼. a. & n. (doen) stranden; —, v. a. borstel; —hammer, klinkhamer; —hom,

inschepen, verschepen (away); — ment, s. schoenhorentje; —leatlier, schoenleder; to

verscheping; —per, s. verscheper,bevrachter; anve one'i —lea'. lier, zyn schoenen sparen,

—ping, s. het inschepen, verscheping, vloot ; (flg.) lui, traag zyn : —maker.schoenmaker;

to take —ping, aan boord gaan; —ping- —plncer, pl. hoefUm^;—atrap,—strlng,

articles, scheepscontract (tusschen kapitein —tle, schoenband, -riem;—•vaiiipn.pl.voor-

en scheepsvolk); — ping-busluess, —ping» schoenen; — leaa, zonder schoenen,

concerns, scheepsaangelegenheden; — ping- Shoe (ëü), v. a. schoeien, beslaan; -Ing, s.

charges, verschepingskosten; — ping-iute- het schoeien, beslaan,

rest, reedery, zeehandel. Shook (ëük), s. duig, plank.

Shlre (ëai9), s. district, graafschap. Shoot (ëüf), s. schot, scheut, spruit, big. Slilrk (ëvk), s. iemand die zich by voorliefde Shoot (ëüt), v. a. schieten, afschieten, doodaan zyn werk of plicht onttrekt; v. a. zich schieten, werpen, treffen, snel doorvliegen, onttrekken aan, ontwijken, vermijden (to — afschaven, uitstorten, (forth, out) schieten, one's duty, one's lessons); let ns — no werpen, uitstorten, (olT) afschieten; —, v. n. facts, laat ons geen feiten achterhouden. schieten, steken, vliegen, voortsnellen, uitShirt (ëvt), s. manshemd; he had no — to loopen, uitbotten, uitsteken, (at) schieten hls back, hy had geen hemd aan 't lijf; to naar, (forth) uitloopen, zich uitstrekken, change one's —, een schoon hemd aan- (out) uitschieten, vooruitsteken, (up) optrekken; near Is my —, bnt nearer is schieten, opgroeien; to — marbles, knikany skin, het hemd is nader dan de rok;— keren; to — a sack of coals, een zak of mall.maliënkolder;—front, half hemdje; steenkolen leeggooien ; hls coma were — —pin, borstspeld; —, v. a. bedekken, een Ing, zyn eksteroogen staken hem ; —er, s. hemd aantrekken; —ing, s. hemdenlinnen; schieter; schutter; — Ing, s. het schieten; —less, a. zonder hemd. to go out —ing, uit jagen gaan; a —IngSlilve. b. snede, schyf, brokje, splinter. box, een jachthuisje; a — ing-gallery, een Shlver (ëtV9), s. stukje, scherf, rilling, hui- schietbaan; — Ing-Jacket.jachtvest, fantasievering ; to dash to (to smash Into) —s, jasje;—ing-range, scliietterrein; — ing-star, in gruizelementen gooien, v. a. verbrijzelen, verschietende ster; —Ing-stick, sluithout. verpletteren, stuk gooien; —y, a. huiverig, Shop (ëop), s. winkel; to keep a —. een rillend, brokkelig, broos. winkel houden; to shut up —, den winkel Shoal [Soul), a. ondiep, met banken; —, s. sluiten, (flg.) met een zaak eindigen; —board, zwerm, school, menigte, ondiepte.zandbank; werkbank; —book, winkelboek; —boys —• of herrlng,scholen haring; the — runs and —-glrls, winkelbedienden; —front, out into the sea, de zandbank loopt ver winkelkast;—keeper, winkelier; —lifter, in zee uit; —, v. n. samenscholen, wemelen, winkeldief;—llfting,winkeldiefstal;—maid, rondslenteren, ondiep worden; the water winkeljuffrouw; —man, winkelier, winkel—s near the coast, by de kust wordt het knecht;—•mate,winkelbediende;—walker, water ondiep; —iness, s. ondiepte, verzan- winkelchef; —, v. n. de winkels atloopen; dinsr ; —y, a. ondiep, verzand. —ping, s. het afioopen van de winkels, het Shock (Sok), s. schok, botsing, aanval, stryd, doen van inkoopen;—ocracy, de winkeliers, walging, hoop schooven, ruige hond; — Shore (ëÓ9), s. strand, oever, riool, greppel, headed l'eter. Piet de Smeerpoets (met stut, schoor; —, v. a. schoren, stuiten (up); ruig kroeshaar); —, v. a. schokken, beleedi- —anchor, landanker; —land, oeverland; gen, ergeren; v. n. botsen,aan hoopen zetten; —less, a. oeverloos, onbegrensd, to be —ed at, geërgerd zijn over, yzen by; Shorl (ëÓ9l), ». schorl (delfst.); —Ing, s. ge—Ing, a. —Ingly, nd. aanstootelijk,ergerlyk, schoren schaap, schapevacht.

•tuitend;—istf schryver van sensatieromans. Short (So9t), s. uittreksel, kort begrip; In

Sluiten