Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SHO.

— SUR.

—, kortom, in 'fc kort; —, a. & ad. kort, schraal, bekrompen, beknopt, beperkt, broos, taai; At — slicht, op kort zicht (van wissels}; to grow — of provi«ions. gebrek krijgen aan levensmiddelen; It feil — of my ex* pectations. het beantwoordde niet aan m^n verwachtingen; notliing — of violence, niets minder dan geweld; — of «(glit, (fig.) kortzichtig, byziende; to cut —. in de rede vallen, kort afbreken; to aitake —worlt of, korte metten maken met; to be put upou — allowaiice, kort gehouden worden; to be (rome, fall) — of. niet evenuren, ontoereikend zijn voor, te kort komen. — of breath, kortademig; — of meiitory, kort van geheugen; — of moiiey, niet bij kas; to «top —, eensklaps ophouden, biyven steken ; to turn —. zich eensklaps onike.-ren; —breatheü, kortademig; —coming*, pl. tekortkomingen; —•couunoii», een schraal maal; we sliall liave —-commoiis today, we zullen 't niet breed hebben vandaag; —-dated, op kort zicht;—liand.snelschrijfkunst, snelschrift; —Imndwriter. snelschry ver, stenograaf; — liaitded, met verkortingen geschreven; —Inid. hard geslagen (van touw); —lived i io^tlatvd),kovt van leven; —nlimik,—«tart.kortsteel (aagtappel) ; —-sighted, kortzichtig; —-«ightetl policy. bekrompen staatkunde; —«igliteilness, kortzichtigheid; — wlnded, kortademig; —-wittfil, onnoozel, dom. I kuow the long and the — of tlie matter, ik weet er alles van; the long and the — of It, in 't kort, de hoofdzaak; —en. v. a. korten, verkorten, verminderen, v. n. korter worden, afnemen ; a — age in tlie supply. een tekort in den voorraad; -ener s. verkorter; —eniiig, s. verkorting; —ly. ad. binnen kort; —uess, s.kortheid, bekrompenheid, beknoptheid; — s, pl. korte broek,korte hennep.

Shot (sot), s. schot, kogels, gelag, rekening: at a—, plotseling, met één schot; to go oll like a —. als een pyl uit den boog . . . .; randoni —, schot in 't wild; red-hot —, gloeiende kogels; cliain —. kettingkogel: grape —. schrootvuur (mil.); Iie lias nol a — in the locker, hy heeft geen cent op zak; a good —, een knap schutter; a demi —, iemand, die alles „treft" (doodschiet); he was wrong by a long —, hy had hei glad mis; out of (within) —, buiten (binnen) schot; great —, kanonskogel; smnll —, schroot; — bag, schroot zak ; —belt. schrootgordel; —-free. schotvrij, straffeloos; vrij van gelag; —garland,—locker,kogelbak, -rek; —gauge. kogelproef-, —plug. smeerprop; —•poucla, hagel-, weitasch; — prooi", kogelvrij; —-window, slagvenster.

Shote (fout), s. elft, jong varken.

Shotten (ï'o/'h), a. kuit geschoten hebbend, ledig, ul, verstuikt, gekappeld, verzuurd; —herriug. ledige (yin) haring of bokking, die kuit geschoten heeft.

Shougli (iok), t. ruige hond, poedel.

Shonld (iüff). v. n. zie Shnll.

Shoultler (Sou'da), s. schouder, loggerzeil, stut, schoor, uitstek; — of inutton. lamsbout ; —-helt,draagband;—blade, schouderblad; — bone, schouderbeen; —grafting, schorsenting; —knot, epaulet; — shotten, verlamd in den schouder| —slip, schouderontwrichting; —strops, pl. broekgalgen, bretels, draugband; —, v. a. schouderen, onderschragen, duwen; —ed, a. geschouderd.

Sliout (iaut), s. kreet, gejuich; —, v. n. schreeuwen, juichen, (at) toejuichen; —er, s. juicher; —iug. s. geschreeuw, gejuich.

Sltove (Sdv), b. stoot, duw; —, v. a. stooten, duwen, voortschuiven, boomen.

Shovel ;sov'l), 8. schop;—board.schuiftafel; —-Iiat, schuithoed (door Engelsche geestelyken gedragen); —-net, slag-, sleepnet; —, v. a. scheppen; —Ier, s. lepelaar, lepelglans.

Show (ion), s. vertooning, uitstalling, tentoonstelling, schouwspel, pronk, schijn; to make a — of, pronken met; —h111, plakkaat, groote affiche,staal kaart;—box.kijkkastje;—bread, toonbrood; —man, spullebaas; —sheet, proefblad ; a flower—, een bloemententoonstelling; l.ord Mayor's —. optocht van den nieuwbenoemden Lord Mayor van Londen (9 Nov.); outward —, uiterlijke schyn.

Show (ion), v. a. toonen, vertoonen, laten vertoonen, laten zien, wyzen, betoonen, (fortli) bekend maken, v. n. zich houden als; to — ofT, pronken met, te koop loopen met (fig.); to — flglit, (fig.) de tanden laten zien, zich te weer stellen; to —mercy, genade schenken ; to — over a house, een huis laten zien; to — a man up (down, out, ln), iemand boven (beneden, uit-, in)laten; —er, s. vertooner; —er of tricka, goochelaar; —iness, s. vertooninaking,pracht, glans; —ily, ad. —isli, —y, a. vertoonmakend, zwierig, prachtig.

Shower {Sa*»»), s. bui, regen-, hagelbui, menigte, overvloed; —batli. stortbad; —, v. a. beregenen, begieten, uitstorten, v. u. stortregenen, neêrstroomen; —y, a. buiig.

Slired (ired)t s. reepje, lapje, sneedje.

Shred (ired), v. a. klein snyden, snipperen.

Slirew (ërü), b. feeks, helleveeg; —, -mouse, spitsmuis.

Shrewd {ïrü<l), a. — ly, ad. sluw, listig, loos; —ness, s. sluwheid, loosheid.

Slirewish (irAU), a. — ly, ad. twistziek, snibbig, heftig; —ness, s. twistzucht, heftigheid.

Sliriek {frik), «. gil; to glve a —, een gil

geven, een kreet slaken; —s of woe, kreten van smart; —, v. n. gillen, schreeuwen.

Shrieval (ériv'l), a. van een' sheriff; — ty, s. sheriffschap.

Shrift (irijt), s. biecht; to give short — to. korte metten maken met.

Shrike (Sraik), s. steenvalk, sperwer.

Slirill (iril), a. — y, ad. schel, schril; the cock's — clariou, de schelle (luidklinkende) toon van den haan; —tongued, met schelle

23

Sluiten