Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SUR. — 8ID.

stem; —, v. a. met eene neb el le stem zingen of uitspreken, (forth) uitgillen, v. n. gillen; —InR, 8. gillende toon; -neu, >. schelheid, schrilheid.

Shrlmp (frimp), s. garnaal, dreumes.

Shrlne (irain), s. reliquiënkastje, altaar, heilige plaats.

Alirink (Srivji), b. krimping, rimpel, buivering.

Slirink (irinjc), v. a. doen samentrekken (krimpen), (up) ophalen (de schouders), v. n. krimpen, ineenkrimpen, sidderen, (at) zich ontzetten over, (from) terugdeinzen voor, (under) bezweken onder, (up) ineenkrimpen; —a e, h. het inkrimpen, rafactie (boopii.).

§lirive (iraiv), v. a. & n. biechten, absolutie geven; —r, s. biechtvader.

Shrivel (Sritfl), v, a. & n. rimpelen, krimpen.

Sltroud (iraud), s. doodkleed, beschutting; fore—s, fokkewant; moin —m, grootwant; —cleat, wantklamp; —honk, wanthaak; —knot, wantknoop; —«topper, wantstopper; ——tackle, wanttalie ; —-truck, wantkloot; —, v. a. bekleeden, bedekken, verbergen, beschutten, v. n. zich verbergen, beschutting zoeken; —s. pl. want, hoofdtouwen.

Slirovc (Srouv), s. Vasten; —-Suiulny, eerste

Zondag in de Vasten ; —tide. Tuesday,

dag voor de Vasten, vastenavond.

Shrub (trvb), s. struik, heester, dreumes; (soort van) punch; —, v. a. van struiken zuiveren, afrossen; —bery, s. heesterplantsoen; — by, a. struikachtig, vol struiken of heesters.

Shrufl* (irvf), s. metaalschuim.

Shrug (ërvg), s. schouderophaling; —, r. a. & n. (de schouders) ophalen (== to give a —).

Siiuck lénJc), s. schaal, bolster, bunt; —s, s. malligheid, onzin; v. a. laten varen,afschudden, verwerpen ; he luis been Ioiik «*aaongh in Afrlca to — oflTthose absurd atotions,... om die ongerUmde begrippen af te leggen.

Shudder (énd*), s. rilling, siddering; —, v. n. huiveren, sidderen (at, witla).

Shttffl e («»ƒ'/), s. doorschudding, list, kunstgreep; —e, v. a. dooreen schudden, verwarren; (away), heimelijk wegmak on ; (in) op eene listige wijze inbrengen ; (oflT) van zich afschuiven, zich afmaken van; (up), samenflansen; to — e cards, lots, kaarten, loten dooreen schudden; —e, v. n. hutselen, de kaarten doorschieten, waggelen, draaien, uitvluchten zoeken ; (oflT) zich wegpakken; (througli) doorheen slaan; -worstelen; (up) oproerig bijeenkomen ; —er, s. doorschudder, kaartgever, bedrieger; —ing, a.; —ingly, ad. listig, bedriegiyk.op eene slinksche wyze, waggelend; he went —ing along, by ging sloffend voort; —ing, s. uitvlucht, draaierij,

Shun [ion), v. a. vermijden, vlieden, schuwen; —less, a. onvermijdelijk.

«hunt (ivnt).y. a. op een ander spoor brengen; to — a train on to the maiii liue, toa siding, een trein op de hoofdlijn, op een zijspoor brengen.

Sliut {ivt), a. gesloten, vrU, bevrijd; —, i. sluiting, deksel, klep, deurtje.

Shut (ivt), v. a. sluiten, dichtmaken, beslui ten, lasschen; (from) uitsluiten van; (in) insluiten; (out) uitsluiten; (up) opsluiten, dichtsluiten; —, v. n. zich sluiten, dichtgaan; —ter, s. sluiter, vensterluik, blind.

Shuttle (éut'l), s. schietspoel; —cock,pluimbal.

Shy (iai), a. —ly, ad. schuw, beschroomd,bedeesd, achterhoudend, achterdochtig, omzichtig ; to flght — of. ontwijken, mijden ; she flglits — of tlie stage, wlien oll* the boards, zij houdt zich ver van toonedzaken, wanneer z(j niet op de planken is ; to take a — at, mikken op (met steentjes); —, v. n. schichtig zijn (worden); —neus. s. schuwheid, beschroomdheid, achterhoudendheid, schichtigheid.

Siblla nt (rtbilsnt), s. sisletter; —tion, s. sissing, gesis.

Sibyl, [ftbil), b. sibylle, waarzegster ; —llne (tlbilain), a. sibylIijnsch, voorspellend (— liue books, prients).

Slee ate (stkeit), v. a. drogen; —ntive («Ikstiv), a. & s. opdrogend (middel); —ity, (tiktiti), s. droogte.

Sick (*fAr), a. ziek, misselijk; (of) moede ; — nume, ziekenverpleegster; —-room (— wnrd), ziekenkamer; — to dentla, doodziek; — of a fever, ziek van de koorts; tlie — man, de zieke man (Turkije); to be — at stoniacli, misselijk zijn; to be — at lieart, innig bedroefd zijn; to be on the —list. ziek zijn; patiënt zijn (volgens het ziekenrapport); to —en, v. a. & n. ziek maken (worden); the rliild was — eniiig for the meanles, het kind had de mazelen onder de leden ; —isli, a. ziekelijk, misselijk; —liiiess. s. ziekelijkheid;

ad. ziekelijk; —ness, s. ziekte, misselijkheid.

Sickle {rtk'l), s. sikkel; —niaia, (koren)maaier.

Side (taid), a. zijdelings, zij-; —, s. zijde, kant, party ; — by —, naast elkander; a stitch (pain) in hls —, een steek (pijn) in de zijde; it will be n thorn iai li In —, het zal een nagel aan zyn doodkist zgn; to be on the wrong — of fll'ty, over de vyftig jaar oud zyii; to lean on one —, (ook flg.) naar ééne zijde overhellen; the near — (olT —) of a horse, links (rechts) van het paard; to put on —, zich „airs" geven, (in 't biljartspel) effect geven; to clioose —, party kiezen; by motlaer's —, van moeders zyde ; —arms, pl. zijdgeweer; -—•blow, slag vnn ter zyde; —board, buffet, duig; —bov.zy-loge;—couiater,windveer; —-face, profiel; —-fielt, schaal, wang (van een mast); —glance. zjjdelingsche blik ; —lantern, slaglantaarn ; —lays, pl. versche jachthonden ; — notes.kantteekeningen;—rope, valreep; —saddle, vrouwenzadel; —svene, tooueelscherm, coulisse, — shoot, zijloot; —'s-iiian, helper (van den koster); partyman; —stick, bindsteek; — —taking, het kiezeu van party ; —trees,

Sluiten