Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SMO. — SNO.

bespeuren, rennen, vliegen, Ijlen, zich ver* toornen; —leas, a. zonder rook; —r, 8. rooker; •mokiiig-cni», kalotje, mutsje; smokingconipartiiaeaat, rookcoupé; uo mnoklii|{ nllowcd, in deze coupé mag niet gerookt worden („niet rook en").

Smok ineas (*mou/cin»t), s. rookeriglieid; — y, a. rookerig.

Sinooth {tmütii), a. — ly, ad. glad, effen, geïyk, zacht, stil. vloeiend, vriendelijk, —-bore, giadIoop(s-geweer of kanon); —chiuited, baardeloos ; —tweed. minzaam, zachtaardig; —file, zoetvijl-, —tougued, glad van tong; —, —ei», v. a. glad (geluk, zacht, vloeiend) maken, effenen, verzachten, bedaren, bevredigen, vleien; (up) opvroolyken ; — IngIron, strijkijzer; — liig-plane, gladschaaf; —ness. s. gladheid, zachtheid, beleefdheid, vloeiendheid.

Smotlier («moth?), s. rook, dwalm, onder* drukking; —, v. a. doe» stikken, verstikken, smoren; (up) overweldigen; v. n. walmen, stikken.

Siiioulder (emoulds), v. n. imeulen; — iug,

a. smeulend.

Simadge (smvdi),s. stikdamp ; v. a. bekladden.

Sniiig (smog), a. — ly, ad. net, knap, opgeschikt ; —iieau, b. netheid, opge.schiktheid.

Siuuggl e (smog'l), v. a. «mokkelen, sluiken; —er, s. smokkelaar, sluiker; —iug, s. smokkelarij.

Snuit (smvt), s. koolzwart; roetvlek, honigdauw, vuile taal; —, v. a. vuil maken, bemorsen, brandig maken; v. n. brandig worden ; —tily, ad. —ty, a. berookt, morsig, brandig, vuil; — tiiiess, s. berooktheid, morsigheid, brandigheid, vuilheid.

Snack (sneek), s. aandeel, haastige maaltyd; (o go — a, samen deelen; a — repaat, een haastig maal; —er, 8. deelhebber ; —et, 8. sluitboom, scliuifgrendel.

Snaffle {sneef'l), s. kaproen, trens; —, v. a. kaproenen, in toom houden; —hit, s.breidel.

Suag (8hcbc7), >• bult, knoest, uitstekende punt, waterslak; —tooth, dubbele tand; —ged Isnnrffid), —gy, a. knoestig, puntig; a —ged rattan, een knoestige stok.

Siiail (sneil), s. slak, luiaard; at a—*• pace, met den slakkengang; —clover,—trefoll, slakkenklaver ; —flower, slakkeubloem ; —leech, bloedzuiger; —paced, langzaam; —•heil, slakkenhuis;—-stone.slakkensteen; —water, slakkenwater; —llke, a.slakachtig, langzaam.

Snake (sneik), s. slang; there's a — In the grasa, er sciiuilt een adder onder 't gras; ïaooded—, brilslang; —flsh, slangvisch ; —gourd, degenvisch; —lines. pl. scheerlijnen ; —root, slangenwortel; —stoue, slangensteen, ammonshoren; —-weed, slangenkruid; —wood, slangenhout.

Snaky (sneiki), a. slangachtig, kronkelend.

Suap (sneep), s. knap, knip, krak, hap, beet, vangst, slootje; I doii't care a — o'niy flaigera, ik bekommer mU er nog niet zoo* veel om; —•dragon, leeuwenbek, kalfs-

snuit (bloem); zeker spel; — sack, knapzak; —shot, schot in 't wild, momentopname met een photographisch toestel; a — vote, eene onverwachte afstemming (van een voorstel); — v. a. snappen, vangen, happen, breken, toegrauwen; (away) wegkapen; (ofT) afbijten, afbreken; (up) opvangen, de les lezen, een standje maken, opknappen (eten); —, v. n. knappen, breken, breien, harpen (at); It — peil in two, het brak in tweeën ; to — one's flugera at, lachen om, spotten met; to — at a proposal, een voorstel gretig aannemen; —plali, a. — pislily. ad. gemelijk, bits; —ialiueaa, s. gemelijkheid, bitsheid.

Sn are (*néé), s. strik ; to lay a — for. een strik spannen aan (voor); —, v. a. verstrikken.

Snarl (mdl) s. verwikkeling, twist; —, v. a. verwikkelen, verwarren; v. n. grommen, knorren ; —er, s. knorrepot.

Snary ftnêrï), a. verstrikkend.

Saaatcla (srieeti), s. ruk, hap, brokstuk, oogwenk ; —es of sleep, korte slaapjes; by —es. by vlagen, by gedeelten; to make a sudden — at. plotseling een greep doen naar; —, v. a. rukken, grijpen; (away) wegkapen ; (up) oprapen; v. n. grijpen, happen (at);body—er. lykendieffvoor de snykamer); —ingly, ad. schielijk, met rukken, bij tus* schenpoozen.

Sneak (mik), s. gluiper, kruiper, klikker; —, v. n. sluipen, kruipen, klikken; to — away, to — oll', wegsluipen; —er, 8. kruiper, beker; —iug, a. — ingly. ad. kruipend,laag, vrekkig; —iaagaaess, s. kruiperij, laagheid, vrekkigheid.

Sneap (snip), s. berisping, uitbrander;—, v-a. doordringen, bekyven, doorhalen.

Sneer (»»&), s. honende lach, • blik; —, v. n. spotachtig lachen, gr'ynzen; (at) den neus ophalen voor, bespotten; —er, s. spotter; — iug sarcasaaa, spottend sarcasme; —ingly, ad. spottend, schamper.

Saaees e (eniz), s. niezing; —wort, nieskruid; —e, v. n. niezen; It Is not to be —ed at, er valt niet meé te spotten; — iug, s. genies; —laig-powder, niespoeder.

Saaet (met), s. vet (van wildbraad).

Saalck (snik), s. snede, kerf, deurklink; — and •nee, bekkesnijden, gevecht met messen; —er, v. n. grinniken, in liet vuistje lachen.

SnlfT(«n«/), t. n. snuiven, snuffelen (at, on); besnuffelen.

Snigger, v. n. zie Suicker.

Sniggle (mtg'l), v. 11. poeren, peuren.

Saaip (snip), s. kuip, snede, snippertje, brokje, aandeel; —v. a. knippen; (aap)openknippeu.

Snipe (snaip), s. snip, domoor.

Saaip per (entpg), s. knipper, uitsn'tfder;—pet, b. stukje, sneedje; —piugs, pl. af knipsel; —-snap, s. woordenwisseling, gekibbel.

Snlvel (mtv'l), s. snot; —, v. n. snotteren; —Ier, 8. snotteraar, janker.

Suob (mob)u s. ploert, schoenmakersknecht.

Snooze (snüz), s. slaapje, dutje.

Sluiten