Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SNO. — SOP.

Snore (»nöa), s. gesnork, geronkv.n.snor- (het) helderste van de zeepziedersloog-

ken, ronken; — r, s. snorker, ronker. rock, -itoiie, speksteen; —suds,pl.z'eep-

Snort (anöat), v. n. snuiven; —er, s. snuiver. sop; — tray, zeepbak; —weed, —-wort

Snot (snot), s. snot; -ty, a. snotterig. zeepkruid; -worlti, pl. zeepzieder»; —. v.

snont (anaut), s. snuit, tuit; —ed,a. meteen' a. zeepen, inzeepen; —y, a. zeepachtig zeepi?

snuit (een, tuit, een' snavel); —y, a. muit- S.mr (»&), s. liooye Vlucht; v. n. hooé

achtig. vliegen, opstygen, zich verheffen.

Show (anou), s. sneeuw, snauw (schip);—hall, S»b (sob), s. snik; —, v. n snikken

sneeuwbal; —-blrd. —buntiug, sneeunrvo* Sober («ou&j). a—ly, ad. «ober, matlr,

?e,5 —ollnd, sneeuwblind; —b rot li. ge- nuchter, verstandig, bedaard, ernstig, zedie

smolten sneeuw ; —drift, sneeuwjacht, hoop Ingetogen ; as — aa a Judge, zoo kalm ais

sneeuw ; —-drop, sneeuwklokje; —fliicl». een rechter; In — earneat, met kalmen

sneeuwvink; —flake, sneeuwvlok; — ernst; —mliided, kalm, bezadigd; —, v.a.

plough, sneeuwploeg; —«hoe, sneeuw- ontnuchteren, matigenness. s. matigheid*

schoen; —«lip. sneeuwstorting,-val, lawine; nuchterheid, bedaardheid, ingetogenheid. '

—white, sneeuwwit; —, v. n. sneeuwen; Sobrlety, s. zie SobernesN.

—y, a. besneeuwd, sneeuwwit, rein. Soc (tok), s. rechtsgebied, vrUdom van leen-

Snnb [tnvb), s. knoest, alsnauwing; —nose, dienst; —age, s. ploeg-, boerenleen; —aeer

stomp(plat)neus; — nosed, stompneuzig; —, b. — man, bezitter van een boerenleen (onop-

v. a. doorhalen, bekeven, afknotten, weer- zegbaar).

houden. Swcla ble (aouSab'/), a.; —bly, ad. gezellig,

Snufr (snvf), s. snuif, snuifset; a pinch of vereenigbaar; — blllty (aouéabtliti), ble-

7, efn. "uigej to be up to -, (spr.) by nea, s. gezelligheid; -ble, s. gezelschaps-

de pinken zyn, zich niet laten beetnemen; wagen.

to take —. snuiven; to tnk« - at li» -), Soclnl (toufl). a.; -ly.ad. maatschappelijk;

kwalyk nemen; -box,snuitdoos; —taker, —•demncrats, sociaal-democraten• love

snuiver; , v. a. opsnuiven (up); ruiken, liefde tot den medemensch; -lam, s. socia-

snuiten (out); any glimmerlMg hope was lisme ; —lat, s. socialist; —Ity, —neas, s

— ed out, elk sprankje van hoop werd ge- gezelligheid.

bluscht; — v. n.snuiven; (at) zich ergeren over. Society (aaaaiati). s. maatschappH, vereenirinr.

den neus optrekken voor. genootschap, gezelschap; Ulble —, Bijbel-

si nutter a (attofaz), s. pi. snuiter; a pair of genootschap; charitable —, maatschappij

—, een snuiter; — dish, —pan, —tray, van weldadigheid; mendlclty -, maat-

snuiterbakje. schappy tot wering van bedelarij; to go

Siiufne [antaf l), v. n. door den neus spreken; Into —, onder de menschen verkeeren- —

P'- neusverstopping, verkoudheid. scandal, „chronique scandaleuse."

SiiuflTy (anaafi)t a. met snuif(snuifsel)bemorst. Soek (tok), s. sok, ploegscliaar, blijspel- —et

lichtgeraakt. (sokit), s. holte, kas, pyp (van een kandelaar

Snug (mvff), a. — ly, ad. ingemoffeld, ingedo- of blaker),

ken, dicht ineen, verscholen, lief, aardig, Socle (souJc'l), s. onderstel, voetstuk, plint,

rustig, gemakkeiyk; —, v. n. zie Snuggle; Sod (tod), s. zode; —, part, gekookt.

—ness, s. dichtheid, gemakkelijkheid, rustig- Soda (rouda), s. soda; —water, soda-, seltzer-

heid, teruggetrokkenheid. water.

Snuggle (antag'l), v. n. dicht b\jeen (warm) Sodality (aadnliti), s. broederschap.

liggen, zich warm Inwikkelen. Sodden (tod'n), part, gekookt, gekweekt

So (tou), ad. zoo, dus, zoodanig, zulk, nu, doortrokken; — flehls, doorweekte velden'

welnu; —corj. dus, daarom, derhalve,mits; n — face, een pafferig gezicht.

— 111 uch the worse, des te erger; — help Soddy (aodi), a. met graszoden bedekt.

me vod, zoo waar lyk helpe my God! and Sodgerles [soudzariz], (— aoldieries),s. can-

— 011 (forth), enzoovoort; aa the maater. tine; alles wat tot het militair leven behoort. ~ nian, zoo heer, zoo knecht; Uir. and Sodomy (aodami), s. sodomie.

' MHnheer en Mevrouw Soever (toueva), ad. ook (in samenstellingen);

„Dinges (die en die); hia paper Is but — wlio(ui) —, wie(n) ook; what —, wat ook.

—, zun opstel is maar zóó zóó. Sofa (noufa), s. sofa; —bed, rustbed.

Soak (touk), v. a. & n. weeken, slurpen, in- Sofett (aonf»t), s. kleine sofa.

zwelgen, zuipen; -er, s. weeker, zuiper; Sofllt (aoflt), s. paneelzoldering, beweegbaar

—ang, a. doordringend, zuipend; a —Ing dekstuk (op het tooueel).

rain, een alles doorweekende regen. Soft (aoft), a. & ad.; -ly, ad. zacht, week.

»oap (aoitp), s. zeep; a cake of —, een stuk malsch, vloeiend, onnoozel; aa — aa down,

zeep; sceuted —, reukzeep; soft—, zachte zoo zacht als dons ; — grouitd, mulle grond

of groene zeep, (fig.) vleitaal; sliavlng —, — verses, zoetvloeiende verzen; a — flré

scheerzeep; -—apple, —berry, zeepappel, makes sweet malt, een goed woord vindt

•noot; —ashes,pl. zeepasch;—berry-tree, een goede plaats; — and fair goes far.

zeepboom; —-boiler,zeepzieder;—bubble, haast u langzaam!; —bralued, dwaas, on-

zeepbel; —alah.zeepbakje;—earth, volders- noozel;—hearted, weekhartig; —Johnny,

aarde; —house, zeepziederJJ; —lees, pl. onnoozele ziel; —soap (zie Soap); —roe,

Sluiten