Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SON. — SOU.

Sonometer [sonomata), s. klankmeter.

-Sonorillc (sonariftk), a. klinkend.

Sonoroni [sanóras), a. —ly, ad. helderklinkend, welluidend ; — iiena.s. welluidendheid.

Sonshi|> (funéip), 8. zoonschap.

8oon (sün),, ad spoedig, weldra, vroeg», gaarne; as — as, zoodra; as — na may be, zoo spoedig mogeiyk ■= at the — est ■■ as — as possible.

Snot (süt), s. roet; —, v. a. met roet besmeren.

Sooth (süth), b. waarheid, voorspelling; fop, in —, voorwaar, inderdaad ; —say, v. n. voorspellen ; waarzegden; — snyer, s. waarzegger; —saying, s. waarzegger^, voorspelling.

Soothe (»utli), r. a. vleien, streelen, verzachten, stillen, bevredigen; —r, s. vleier, stiller, verzachtend middel.

Snot iness (uittin»*), s. roetigheid; —isli, a. roetachtig ; —y, a. roetig, zwart.

Sop (sop), s. sopje, verzachtend middel ; —, v. n. soppeu; —in-wiiie, pluimanjelier; kruidery om wyn geurig te maken.

Snpli [sof), verkorting van Sopliister en Soplioiuore (in Amerika); s. student in het tweede jaar.

Sophis in (soflzm), s. drogrede; —t, —ter, s. drogredenaar, sophist.

Sopliistic (softs tik), —al, a. —ally, ad. spitsvondig, bedriegiyk; — ate, v. a. vervalschen; — ated, a. vervalscht; —atiou. s. vervalsching; —ator (sofistikeita), s. vervalaclier.

Snphistry (sofistri), s. valsche redeneering, oefening in de schynbaar ware logica.

Soporlf erous (soparifaras), —Ie, a. slaapverwekkend ; —Ie, s. slaapmiddel.

Soprano [sjpr&nó), s. sopraan, bovenstem.

8orl» (sóab), s. —apple, vogelbes; —, s. —• tree, sorbehoom.

Sorrer er (sóasarg), s. toovenaar; —ess, s. tooveres: —y, s. toovery.

Sortlld (só9(lid), a. — ly, a. vuil, laag, gemeen, snood, vrekkig; —ness, s. vuilheid, laagheid, snoodheid, vrekkigheid.

Sordine (só»dtn), s demper.

Sore (söa), a. & ad. zeer, pyniyk, hevig, gevoelig, zwaar, geweldig; a — flnger, een zeere vinger; a — tliroat, pyn in de keel; a — trial, een harde beproeving ; —ly, ad. —, s. zeer, zweer, pyn, vierjarig hert; to put tlie flnger ou tlie —, (tig.) den spy. ker op den kop slaan; —ness, s. pyniykheid, hevigheid; lichtgeraaktheid.

Sorner (sttana), 8. indringer, ongenoode gast.

Sororiclrie (sarorisaid), s. zustermoord, zustermoorden

Sorrel (soril), a. rosachtig, geelbruin; —, s. roskleur, vos (paard), zuring.

Sorri ly Isori/i), ad. zie Sorry; —ness s. armzaligheid, ellendigheid.

Sorrow (sortf), s. droefheid, kommer, leedwezen, zorg; every — lias lts twln Joy, smart en vreugde gaan hand aan liand; —• •trlclceai, door hartzeer getroffen; —, v. n.

zich bedroeven, leedwezen gevoelen (over); he that goes borrowing goes —ing,

borgen schept zorgen; — ful, a. — fnlly, ad. treurig, bedroefd; —fulness, s. treurigheid, bedroefdheid; —less, a. onbekommerd.

Sorry (»ori), a. treurig, bedroefd (at, for, of); ellendig, armzalig; I ani (feel) —for lt, het spyt my.

Sort (sóat), s. soort, aard, slag, wyze, klasse, rang, stand, rot. paar, lot; in like —, op geiyke wijze; in soiue —, eenigerinate; to be out of —s, niet wel zyn, gemeiyk zyn; —, v. a. sorteeren, afzonderen, rangschikken, uitzoeken, uitkiezen (out); verbinden, ▼. n. zich verbinden, overeenkomen, passen, gebeuren, uitvallen, slagen; — able, a. te sorteeren ; —auce, s. gepastheid; —er, s. sorteerder.

Sort llege, (sóatiledS), s. loting; —itlon, s. aanwyzing door het lot; — uient, s. sorteering, assortiment.

Sot (sot), s. zot, zuiplap; —, v. a. verdooven, verstompen, v. n. zich bezuipen; —tlsh, a. —tishly, ad. zot, dom, beschonken; —tlshness, s. zotheid, besciionkenheid.

Sougli (sof), s. onderaardsclie waterleiding.

Soul [soul), s. ziel; there was not a — nlive, er was geen levende ziel; don't be «ross, there's n good —, wees niet boos, dan ben je een beste; —bell, doodklok; — cheering, —couifortlug, hartverheffend ; —feit, diepgevoeld; —uiass, zielmis, Allerzielen (= All-i' Day),; —slck. ziek naar den geest; —trouble, zielsangst; —ed, a. bezield ; —less, a. zielloos.

Souud (saund), a.; —ly, ad. gezond, gaaf, vast, sterk, krachtig, duchtig, grondig; nm — as a roacli, zoo gezond als een visch; as — as a bell, door en door gezond; safe and —, gezond en wel; — priuciples, gezonde beginselen; a — aiiiud in a — body, e*n gezonde ziel in een gezond lichaam; a — scholnr, een degeiyk geleerde; —, s. klank, geluid, toon, inktvlsch, vischblaas, Sond, zeeéngte; —board, klankbord, zangbodem ; —, v. a. doen klinken, blazen, uitbazuinen, peilen, loggen, loodsen, v. n. klinken, galmen; to — the retreat, den terugtocht blazen ; to — a clianiiel, een vaarwater oplooden ; to — abroad, uitbazuinen; —ing, a. klinkend; —ing, s. peiling; to be out of —ings, geen grond peilen;—ing hoard, klankbord, z.-ingbodem; — ing-lead, dieplood: —liig-llne, loodlijn;—ings,pl. ankergrond, peiling: to loose —ings, geen grond peilen; to strike —ings, grond peilen; — less, a. toonloos, peilloos: ondoorgrondeiyk ; —ness, s. gaafheid; sterkte, juistheid, zuiverheid.^

Soup (süp), b. soep; portable —, bouillonkoekjes voor soep; —basln, terrine; — ladle, soeplepel; — plate, diep bord; —• ticket, soepkaartje ivoor de armen).

Sour (sau»), a.; —ly, ad. zuur, bitter, smarteïyk, knorrig, gemeiyk; —, 8. zuur; — erout, —krout, zuurkool; —faced, zuurziend; —

Sluiten