Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SOU. - SPA.

gonrd. apenboom; —nam, waterboom; — •op, getakte flesschenboom, zure appel, zuur stukje; —, v. a. & n. zuur (gemelijk) maken (worden); —iah. a. zuurachtig; — aaeaa, s. zuurheid, bitterheid, gemelijkheid.

Sou ree (#6ss), s. bron, oorsprong; I hnve It front a good —, ik heb het uit goede bron; The Rhiaae taken it»—in Switzerlaaad, De Rijn ontspringt in Zwitserland.

Souie (saus), s. pekel, zult, neerschieting;—, v. a. pekelen, inzouten, indompelen, herig stooten, v. n. nederschieten (down); —, ad. eensklaps, plotseling.

Soaath (sauth), s. zniden; —by eaat, zuid ten oosten; — by west. zuid ten westen; —a. zuid-, zuider-; —pole, zuider aspunt; —aea, zuidzee.

Soaatla-eaat (sauth-ist), s. zuidoosten; —e rly, —eraa, a. zuidoostelijk.

Soaath erly («oth li)-, —eraa, a, zuidelijk; — eraa-wood, averuit; —eraier, s. bewoner van het zuiden; —iatg (*authir\), s. zuidelijke richting.

Soaathward (sauthicad); — a, nd. zuidwaarts.

Soaatla-weet [sauthirest), s. zuidwesten; —er* ly, —eraa. a. zuidwestelijk.

Sovereigaa fsnv'rin), a. -ly. ad. oppermach- i tig, onbeperkt, opperst, hoogst; —, s. opper- | heer, alleenheerscher, souverein, 1 pond sterling — ƒ12; half a —, een half pond sterling; —ty, s. oppermacht, onbeperktheid.

8i»w [sau), s. zeng, pissebed, klomp, blok, tobbe; to take the wrong — by the ear, den verkeerde voor hebben ; —baby, speenvarken; —baaae,ganzenvoet(p1ant); —bread, varkensbrood; —gelder, varkenslubber; —plg, zeugbig; —thiatle, ganzendistel.

8«w (sou), v. a. & n. zaaien, bezaaien, uitstrooien, bestrooien; to — one'a wild oatn, (in zijn jeugd) uitrazen; —er, s. zaaier, uitstrooier, aanstoker.

Soy («of), s. soja.

Spa (spa), s. aigemeene naam voor bronnen van mineraal water, badplaats.

Space [speis), s. ruimte, tijdsbestek, spatie; to atare iaato —, in de oneindige ruimte staren.

Spacioaaa (spetéas), a. — ly, ad. ruim, wijd, uitgestrekt; —aaeaa, s. uitgestrektheid.

Spaddle (sptvd'l), s. schopje, spatel.

Spade (gpeid), s. spade, schop, schoppen, gesneden dier; to call a — a —, (fig.) iets bU den rechten naam noemen; aaa ace of —a, een schoppenaas; — boiie, schouderblad; —ful, (eene) spade-vol; —, v. a. & n. spitten, omspitten.

Spadiceoua (spsdtsas), a. lichtrood.

Spadille (spgriil), s. schoppenaas, spadilje (in 't kaartspel).

Spahee, Spahl (spshi), s. spahi, Turksche ruiter.

Spalt [spélt), 8. spalt, (steensoort).

Spaaa [speen), s. span, ophouder, strop, korte duur; —cleaaa, kraakzindelijk; —couaater, —farthlaag, kuiltjesspel; —loaig,eene span lang; —aiew, splinternieuw; — aaw, hand¬

zaag; —aliackle, beugel der penterbalken; —, v. a. spannen, omspannen, afmeten.

Spaiadrel [spasndr»l), s, begin van een gewelf.

Spaaagle (ipanyfl), e. loovertje; —, v. a. met loovertjes versieren; the — d heaveaa, de sterrenhemel; dew—d graaa, met dauw» druppels bepareld gras.

Spaialel (spasnjal), s. patrijshond, kruiper, vleier; —, v. a. als een hond naloopen, v. n. kruipen, vleien.

Spaaalah [spatnii), a. Spannsch; —colaa, schoone woorden, vleitaal; -lly. Spaansche vlieg; —;Jaaice. —llcorioe, drop; — palaat, — white, loodwit; — red, vermiljoen.

Spaaak [speen,k), v. a. met de vlakke hand slaan; —er, s. klein muntstuk, groote sterke vent, baas, pronker; —booaaa, boom voor het brikzeil; —, —anil, brikzeil,bezaan; —laag, a. forsch, stevig, opgetooid,aanzienlijk.

Spaaiaaer (sptrn»), s. spanner, karabijnslot, sciiroevedraaier.

Spar [spd»), 8. spaath, spar, sluitboom ; —, ▼. a. met een' boom sluiten, v. n. met de vuist vechten; he waa —ring away like clock* work, hij sloeg er duchtig op los.

Spara ble [vptrraVl), s. schoenspijker, stiftje; —drap, s. waspleister.

Spare (spé*), a. —ly, ad. spaarzaam, dun, schraal, karig, matig, overig, waarloos; n — bed, een bed over, logeerbed; a — bed» rooaaa, een logeerkamer; —«leek, overloop; —diet, schrale kost; —hoaar, snipperuur ; —aiaoaiey, spaarpenningen; —rib, mager varkensribbetje; —time, vrije tijd; —top» aaaaat, borgsteng; —yard, waarlooze ra; —, v. a. sparen, besparen, verschoonen (froaaa)» ontberen, missen, v. n. sparen, spaarzaam zijn, zich onthouden (for, to); he — d aieither coeta aaor troaable, hij ontzag moeite noch kosten ; C-aaa yoaa — tliia book ? kunt ge dit boek missen? I have aio time to—, ik heb geen tijd over; he laaa eiiough and to —, hy heeft meer dan genoeg; — the rod, apoil the chlld 'zie: Ho«l); —aaeaa, s. magerheid, schraalheid; —r, s. spaarder.

Sparing [spèsriv,), a. — ly, ad. spaarzaam, schraal, verschoonend ; —aieaa. s. spaarzaamheid, schraalheid, omzichtigheid.

Spark (sp&k), s. vonk, pronker, minnaar; t» enait — a, vonken afwerpen; electrio —» electrische vonk; a wild —, een wild heertje; a eoaaceited —, een ingebeelde fat; —iah, a. luchtig, vrooiyk, opgeschikt.

Sparkl e (spdlc'l), s. vonk; —e, v. a. Terspreiden, v. n. vonkelen, fonkelen, flikkeren (with); —er, s. die glinsterende oogen heeft; —et, s. vonkje, sprankje ; —laag. a. —iaagly, ad. vonkelend, fonkelend, parelend; —iaagaaeaa, s. gevonkel, glansrijkheid.

Sparrowtaporrd), b. musch; —graaa,asperge; —hawk. sperwer.

Sparry. a. spaathachtig.

Spaant (spazm), s. kramp; —odie, a. krampachtig, kramp-, s. krampstillend middel.

Spat [speet), s. kuit (van oesters), slag met een

Sluiten