Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TAM. — TAS.

Taniper Utnmps), v. n. huismiddeltjes gebruiken (with, voor); (in. with) zich inlaten met. in 't geheim werken, oinkoopen.

Tampiou (ttrmpj'n), s. prop, (zie: tantkin).

Tan [teen), s. run; — bed, runhed;—lioiise, —yard, looierij ; —pit. —vat.looikuip; —, ▼. a. looien ; taankleurig maken.

Tandem (ttrticl'm), s. rijtuig* met twee paarden (vóór elkander gespannen); rijwiel voor 3 pers.

Tang (t<Bi\), s. nasmaak, zeegras, tong (v. een gesp).

Tangent (tasndi'nt), s. tangens, raaklijn; to fly (R°) n —« zich haastig uit de

voeten maken, plotseling ophouden.

Tang! billty (teenrtzibiliti), 6. tastbaarheid ; —ble. a. tastbaar.

Tangle [tan\g*l), s. verwikkeling, verwarring, knoop ; —, v. a. zie Entaiigle.

Tank (ttrnjc), s. waterbak; — ard, s. drinkkan (met een deksel).

Tan liug (tasnliri), s. door de zon verbrande; —ner, s. looier, leertouwer; — nery, s. looierij; —nli», s. looistof;—ning, s. het looien.

Tansy (fatnzi), s. reinvaren, wormkruid.

Tantal lam [tasntolizm), s. kwelling, terging; —iae, v. a. kwellen, tergen.

Tantaniount (tcentamaiuit) a. van gelijke waarde; to be — to, opwegen tegen, gelijk staan met.

Tautivy {tatntivi, tanttvi), ad. spoorslags; to ride —, galoppeeren.

Tantrum* (tirntrgmz), s. pl. grillen, booze luim; he whi In a taiitruni, hy was zoo kwaad ais een spin.

Tap Ittrp), s. tikje, klapje, tap, zwik, houten kraan, tapperij; «Ie on —, bier van 't opgestoken vat; It 's of another —.'t is ander bier, wijn, uit een ander vat; a freah —, t'risch van 't vat; —-borer schroefboor; —■•droppings, pl. leksel; —hole, lekgatuitloop; —house», tapperij; —laah, laatste bier, slecht bier; —room, gelagkamer; —root. hoofdwortel; —; v. a. & n. kloppen, tikken; open-, doorsteken; aftappen; to —

• a freah aouree of reveuue, een nieuwe

' bron van inkomsten openen ; to — on the head, op liet hoofd tikken, kloppen ; to — a man'a brains, iemand uithooren; to — a cask (barrel), n bottle, een vat opensteken, een flescli aanbreken.

Tape (teip), s. hand, lint, strookje papier (telegraaftoestel); red—, bureaucratie; — lace, garenkant; —worm, lintworm.

Taper [tetp»)% s. waskaars, toorts; —, —Ing. a. spits toeloopend, kegelvormig; —, v. a. spits maken; v. n. spits toeloopen; —nee», s. kegelvormiglieid.

Tapentry [ttrpsstri), s. behangsel; —, v. a. behangen ; tapestrled chamberi, kamers met l>ehang*els van geweven stof.

Tapir [teips], 8. tap?r.

Tapia (tdpi), s., tapijt; to bring on the —,

(ng.)-ter tafel brengen, aan de orde stellen.

Tappet (ttrpït), s. nok, kleine hefboom.

Tapping [tappin,), s. het tikken, aftapping, buiksteek, uitloop; —bar.laatijzer;—hole, uitloop-, —pipc, afvloeiingspijp.

Tapster (tarpitg), s. tapper, schenker.

Tar itd), s. teer, pekbroek (— Jaclc—); —, v. a. teren, met teer hesnieren, tergen, ophitsen ; to be —red witli the aame bruah, met hetzelfde sop overgoten zijn.

Tarantnla [Uretnfjtil»), g. tarantula.

Tardation [tddeii'n), s. vertraging.

Tard lly (fddili), ad. —y, a. langzaam, traag, laatkomend, nalatig; —iiieaa, s. traagheid, nalatigheid.

Tare (fêg), s. wikke, dolik, tarra; to separate the — s from the wheat, (fig.) het kaf van 't koren scheiden.

Target [tdget), (— targe) s. schild, schietschijf; to practiae at the —, zich oefenen in liet schijfschieten ; —teer, —tier, schilddrager (een soldaat); —ed, a. met een schild gewapend.

TarlflT Ittrrif), s. (tol-)tarief; —, v. a. in een tarief brengen, met accijns belasten.

Tarn [fan), s. poel, moeras.

Tarniah (tdnié), v. a. dof maken, bezoedelen, v. n. dof worden, beslaan.

Tarpanliit [tdpólii{), Tarpawling, s. presenning, pekbroek, matroos, teerkieed.

Tarragoit [twrggan), s. dragon (plant).

Tarr Ier [taari»), s. draler, vertrager; —y, T. n. dralen, toeven.

Tarry (tdri), a. tcerachtig, geteerd.

Tart (tdt), s. taartje; —, a. — ly, ad. wrang, scherp, vinnig, bits.

Tartan [tdt'n), s. tartan, tartaan (schotsch wollen geruite stof), kleine éénmaster.

Tartar [tdte\ s. wijnsteen, onderwereld, nieuweling. norsch mensch ; to eatch a —, zijn* man vinden; zijn' meerdere grijpen; — of the teetli, kalk der tanden; —ean, — eous (tdtê*vUn), a. van wijnsteen, helsch; —ie [t&tnrik), a. —acid, wijnsteenzuur; —ons, a. wijnsteenhoudend, wijnsteenachtig.

Tartneas [(dtn9$), s. wrangheid, scherpte, bitsheid.

Taak Itdêk), s. taak; to set a — to, een taak opgeven; to be taken to —, gestraft worden, onder handen genomen worden; — maater, —er, taakgever, werkbaas, opziohter; —work. karwei, opgegeven werk; —, v. a. eene taak opleggen.

Tash [teei), s. nestel.

Tassel [tats'l), s. kwast, lintje (in een boek); —ed, met kwasten versierd.

Tasses [tttsit), s. pl, dijstukken (van een harnas).

Taatable {/etstsb'l), a. smakelijk.

Taste (teut), s. het proeven, smaak, proef; to be out of —, smaakloos zijn, niet kunnen proeven; every one to hls —, elk zijn smaak; a matter of —, een kwestie van smaak ; let me have a — of It, geef mij er een proefje van; —, v. a. proeven, smaken, genieten, beproeven; v. n. smaken (of, naar), proeven; —d, a. smakend; —ful, a. —fully, ad. smakelijk, smaakvol; — fuluess.

Sluiten