Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TEir. — TEN.

Tehee (tihi), s. gegichel; —, v. n. glchelen.

Teil (til), b. linde, lindeboom.

Telary (telari), a. spinnend, web-; —f ■. spin*

newel), weefsel.

Teleur niu (telagram), s. telegram; —aph, s. telegraaf; v. a. telegrapheeren; — npliic (telagrarflk), a. telegraphisch; — afint (lalegrafiat), telegrafist; — aphy (talegraji), s. telegraphie.

Teleph oue (telafoun), s. telefoon; —, t. telefoneeren; — eme (tel»firn), bericht per telefoon; — onlc (telafonik), a. telefonisch; —oniat (talefouniat). — ony (talefotini). Teleacop e (teLakoup), s. telescoop; —Ic, —ical (telaakopik), a. telescopisch ; —y (taleskapi), het gebruik van verrekUkers.

Teil (tel), v. a. & n. zeggen, melden, vertellen, verklikken, leeren,uitwerking doen; (abroad) bekend maken; (of) aangeven, verwijten; it told oh her conetitution. het greep haar gestel zeer aan: — the truth and aliaiite the devil, doe wel en zie niet om ; — it not in Gatli, (fig.) mondje dicht, vertel het niet verder; every shot —». ieder schot is raak; I rannot — ,ik weet niet;to — fortunen upon tlie carda, de kaart leggen;'—tale, a. babbelachtig, verklikkend, s. babbelaar, klikker, verklikker; —er. s. verteller, rekenaar, stemopnemer, betaalmeester; —lug, a. indrukwekkend, krachtig.

Tellural |teljikr*l), a. van de anrde. Tellurian (taljikrian), s. bewoner der aarde. Tellurion (teljikrian), s. tellurium.

Telotype (telataip), s. druk telegraaf.

Temer arioue, (temafêarias), a. vermetel, roekeloos; —Ity (tameriti), s. vermetelheid, roekeloosheid.

Temper [temp»), s. temper, tempering, menging, aard, luim, gemoedsgesteldheid, bedaardheid, gehardheid; to be out of —, in eene slechte luim zijn; to put one out of —, iemand boos maken; to loee one'a —, zich driftig maken; to keep one'a —, kalm bltyven; au even —, een gelijkmatig humeur; —, t. a. temperen, mengen, matigen, versachten, harden, geschikt (passend) maken, inrichten, paren; God —• the wind to the •hom lauib, God geeft kracht naar kruis; —aiiieut, s. gestel, gemoedsgesteldheid, vermenging; —ance, b. matigheid, bedaardheid; —ance hotel, hotel voor geheelonthouders; —ance society, matigheids genootschap; —ate, a. — ately, ad. matig, gematigd, bedaard ; —ate zone, gematigde luchtstreek; — ateneea.s. matigheid, gematigdheid; — atlve, a. temperend, matigend; —ature, s. behoorlijke menging, gesteldheid, warmtegraad, temperatuur, gematigdheid; —ed, a. gestemd, geluimd, getemperd, gehard; even —, gelijkmoedig.

Tempest (tempatt), s. storm, onweder; — beaten, —tost, door sterm geteisterd; —, v. a. teisteren, verontrusten, v. n. stormen. Tempestuoua (tampeatjuat), a.; —ly, ad. i stormachtig; —ness, s. stormachtigheid. i Templar (templ9), s. tempelier, student inde I

I rechten; "good —e," afschaffers; knlght

| —, tempelridder (van de orde van St. Jan van Jeruzalem).

Temple (temp l), s. tempel, slaap (van het hoofd); —t, s. model-vorm, rust, stut.

Tempor al (temparal), a.; — ally, ad. tijdelijk, wereldlijk, van de slapen; —ality, s. —-»le, pl. —alty, s. wereldlijke goederen of inkomsten; — arlly, ad. —ary, a. tijdelijk, vergankelijk; -ariness. s. tijdelijkheid, vergankelijkheid ; —ize, v. n. zich naar den tijd (de omstandigheden) schikken, dralen; — izer, s. tijdwinner, talmer, weerhaan, draaier.

Tempt (temt), v. a. in verzoeking brengen» beproeven, verleiden, aansporen; —able, a. aan verzoeking blootgesteld ; — atiou.s. verzoeking, aanvechting; —er, s. verzoeker, verleider, duivel; — lug, a. —ingly. ad. verleidelijk; —ress, 8. verzoekster, verleidster.

lemse (temz), s. zeef; —, —d, a. fijn gezift;

— bread, fijn wittebrood.

Ten (tew), a. tien; —-fold, tienvoudig; —• Plus» spel met 10 kegels; nine in—,0 van de 10 maal; —«, tientallen.

Ten able (tenab'l), a. houdbaar; — ability, s. houdbaarheid.

Tenaci ou* (taneii'a), a.; —ously, ad. aanklevend, taai, vasthoudend (of, aan); hardnekkig, getrouw, gierig; a — memory, een sterk geheugen; — oumiess, — ty (tanassiti), s. aankleving, vasthoudendheid, hardnekkigheid. gierigheid.

Tenancy (tenansi), 8. pacht, pachting; — at will, opzegbare huur.

Teuant (tenant), s. pachter, huurder, bewoner;

In chief, in capite, leenheer des konings;

— at will, opzegbare huurder; — in tall, houder van erfpacht; — for life, vruchtgebruiker ; —»«w, schrobzaag; —, v. a. in huur hebben; —able, a. huurbaar; —less, a. onverhuurd; —ry, s. al de pachters te zamen.

Tenrh (tenë), s. zeelt.

Tend (tend), v. a. oppassen, verplegen, bedienen, bewaken, hoeden, v. n. zich richten, streven, strekken, doelen; (upon) bedienen, volgen; —ance, .8. oppassing, verpleging,bediening; —eucy, b. strekking, neiging; —er, s. oppasser, verpleger, aanbieding, bod, adviesjacht, tender, voorraadwagen; a legal ,

een wettig betaalmiddel; to make a — of, ïa«lJ>'e(*en : —*r* v" aanhieden, met teederheid behandelen; to —er one'a service*, zijne diensten aanbieden; to —er oue's resignatiou, zijn ontslag indienen; to—er for, inschrijven (by aanbestedingen).

Tender (teuda), a.; — ly, ad. teeder, zacht, zwak, week, gevoelig, bezorgd, zorgvuldig, dierbaar; to be — of, be/.orgd zijn over, zorgdragend voor; the — paa«ion.de liefde; —• loln, haasje (van een rund); —bodied, zwak, tenger; — hesarted, teerhartig; —heartedneaa, s. teerhartigheid; —eided, rank; — llng, s. troetelkind; —ueee, a. teederheid, zachtheid, zwakheid, weekheid, gevoeligheid, zorgvuldigheid.

Sluiten