Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TER. — THE.

Tertlan (tói'n), a. derdendaagsch, ». derdendaagsche koorts; —ary, a. van de derde vorming, tertiair; — ate, v. a. ten derden male doen (inz. ploegen).

Tessellate (teaaleit), v. a. met ruiten maken, ruitswyze inleggen; —tl, a. geruit; — «1 parement, ingelegde vloer, mozaïekvloer.

Teat (teat), s. kapel, smeltkroes, toets, reactief, toetsing, beproeving, onderscheid, proefeed; to put to the —, op de proef stellen; — Act, Parlementaakte, die den afzweringseed oplegde (Eng. gesch.); —, v. a. toetsen, op de proef stellen; —able, a. bevoegd om te getuigen.

Teataceoua (taateti'a), a. schaal-, schelp-; (— animale).

Testament (testamant), s. testament; (the °hl —, the new —); the prevent ia the

laat will and —, dit is de laatste en uiterste wil van; —«ry (teatamentari), a. van (volgens) een testament.

Teata te (testeit), a. een testament nalatend; —tion (tei/eli'»), s. getuigenis; —top (taatetta), s. erflater; — trlx, s. erflaatster.

Teat ed (testid), a. getoetst, beproefd; —er, s. ledekanthemel, sixpence (— 30 ets.): —iele. s. teelbal.

Teatlf ication {teatifiketi'n), s. betuiging, getuigenis; —lep, s. getuige; —y, v. a. & n. betuigen, getuigen; to —y againat. als getuige optreden tegen; to —y to (one's courage), getuigen van (iemands moed).

Teatily (tentili), ad. zie Teaty.

Teatimon lal (teatimounjsl). «.getuigschrift; —y(teatimvrii).*. getuigenis;In —y wherpof, ten biyke waarvan; to heap—y to, getuigenis afleggen van, bewijzen; to bear —y,getuigenis geven.

Teat Ineaa (testinaa), s. gemeiykheid, knorrigheid; —y, a. gemeiyk, knorrig.

Tethep (feth?), s. span-, looptouw, leireep; to ahopten oiie's —, (flg.J iemand kortwieken; I know the lengtli of my —, ik weet, hoever ik kan gaan; to be at the end of one*s —, al zyne pijlen verschoten hebben; to come to the end of one'a —, aan het einde zijner middelen geraken; —, v. a. vastbinden, beperken.

Tetrarliopd (tetrakóad), s. viersnarige lier, kwart (in de muziek), lialve octaaf.

Tetpad (tetrad), s. viertal.

Tetragon (tetragan), s. vierhoek; —«I (tatraganal), a. vierhoekig.

Tetrahedpon (tetrahidrari), s. viervlak.

Tetrameter (/»tra:mat9), s. viervoetig vers.

Tetrarch (titrdk), s. tetrarch (bestuurder van het 4de deel van een Romeinsch wingewest); —ate, —y (tetrdki). s. viervorstendom.

Tetrastich (tatroratik), s. vierregelig versje.

Tetrasylla bic (tetraailnbik), —bical, a. vierlettergrepig; — ble (tetraailab'l), s. woord van vier lettergrepen.

Tetter (teta), s. dauwworm; —worm, paardenvlieg; —wort, zwaluwkruid; —, v. a. met dauwworm (uitslag) besmetten.

Tew (tjü), s. stof, bouwstof, ijzeren ketting;

—, ▼. a. Kioppen, Draxen, zwingelen, plagen, rukken, trekken; —el, s. blnashalgptfp.

Toxt (tekat), s. tekst; —book, tekstboek, handboek; —hand, staand schrift, middelsoort; —lettep, hoofdletter; —man, tekstkenner; —ile, a. weef baar, geweven; the —lle factopiea at E„ de weverijen (textiele fabrieken) te E.; — «al, — uary, a. in den tekst vervat, overeenkomstig met den tekst; — uallat, —uary, s. tekstenkenner; —upe {tekatja), s. weefsel, (het) weven, samenstel.

Than (th«n), conj. dan.

Thane (thein), s. vrijheer, than; —ahlp, s.

waardigheid van een than, vrijheerschap. Thank (theenJc), v. a. danken, bedanken; —. otfering, dankoffer: —worthy, dankenswaardig, verdiensteiyk» 110, — you, dank u$ — you, s. v. p., asjeblieft; — you fop ■lotliiiig! ik zou je danken! — tul, a. — fully, ad. dankbaar; — lens, a. —leaaly, ad. ondankbaar; — lessuess, s. ondankbaarheid.

Thanka (thanjca), g. pl. dank; no —! geen dank! — to God! God zy dank; to glve (return) —, dankzeggen; —giver, dankzegger; —-glving. dankzegging.

Tharni (th&m), s. darmen, darmsnaar.

That (that), pr. die, dat, gene, welk, hetwelk; —, conj. dat, opdat; at —, bovendien; don't, —*a a good boy, doe het toch niet, dan ben je een beste; It la rldlcnloua, — la,

't Is bepaald belacheiyk; I tl are aay

much, ik durf liet wel zeggen.

Thatcli (thcetë), s. dakstroo, rieten dak; — stack, schelf dakstroo; — v. a. met riet dekken; —ep, s. rietdekker; — ing, alles, wat voor bedekking van huizen gebruikt wordt. Thaumaturgy (t hömatvdzi), s. (het) wonderen doen, goochelary.

Thaw (thó), s. dooi; —. v. a. & n. dooien, ontdooien.

The (tbï), art. de, den, het; — more — bettep, hoe meer, hoe beter; — more eo, te meer, des te meer; — aooner, — bettep, hoe eerder, hoe beter; — more, — merrier, hoe meer zieltjes, hoe meer vreugd.

Theatp e (thiata), s. schouwburg, tooneel; —Ic, — leal, a. — Ically, ad. (thtwrtriVl), van het tooneel, theatraal; —Icala, tooneelvertooningen; private —Icala, liel hebberlitooneel.

Thee (thf), pr. u. aan U; to — and thon each other, elkaar tutoyeeren, met thee en thou 'aanspreken.

Theft (theft), s. diefstal.

Thelr (tli&), pr. hun, haar; —«, pr. de (hêt) (hunne) hare; thla horse la thelra, dit paard is het hunne (van hen).

Theia m (thiizm), s. godisterjj, theïsme; —t, s. godist, theïst; —tic, —tlcal, (thitattk'l), eodistisch, theïstisch.

Thein (them), pr. hen, hun, haar.

Theine (thim), s. onderwerp,thema,grondwoord. Themaelvea (thenuelvz), pr. zich, zit zeiven. zich zeiven.

Sluiten