Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Then (th«n), ad. dan,daarop,t.oen; the — bishop of Vjoiidon, de toenmalige b. v. L; iiow and —, nu en dan ; every nnw aii«l —, telkens; — and there, onverwijld, onmiddellijk ; —, conj. dan, derhalve, daarom.

Thence (then*), ad. vandaar;—forth,(fóath). —forwanl (Jóatcad), ad. van dien tijd af.

Theocra cy (thiokrasi), s. godsregeering; —tic, — tical. (t'iiokmtik), a. theocratisch.

Theodollte (thxodalait) s. hoogtemeter.

Theogony (tfiio/jani), s. afstamming der heidensche godheden.

Theolog ian (t hul oudé>»), —lat (tl/iolad£i*t), —ue, s. godgeleerde; —Ic. Ical. a. —ically. ad. godgeleerd; —y, (thioüdzi), s. godgeleerdheid.

Theoreui (thiaram), s. stelling;—atic,—atical, —ic, a. in stellingen vervat.

Theoretle (thxaretik), —al, a. —ally, ad. theoretisch.

Theor lat (thiaritt), s. bespiegelaar, theoreticus ; — Ine, v. n. theorieën maken; —y, s. bespiegeling, theorie.

Theosopliy (thiotaft), s. goddelijke wijsheid, theosophie.

Therapeutlc (therapjiktik), a. geneeskundig; —s, s. geneeskunde, heelkunde.

There (thé;), ad. daar, er, aldaar; to be all —, weten wat men doet; — and back, heen en terug; —'s a good glrl.dan ben je'n beste meid; — you are! all right, klaar is Kees; — now, did I not teil you ! daar heb .je 't al, heb ik het je niet gezegd; — about, —about*. ad. daaromtreut; —after, ad. daarna, daarnaar; —at, ad. daar, daaraan, daarover; —by, ad. daardoor, daarbij; —fore, ad. daarom, derhalve; —front, ad. daarvan, daaruit; —-in, —info, ad. daarin; —of, ad. daarvan ; —on, —upon, ad. daarop; —out, ad. daaruit; —to, —unto, ad. daartoe; —uuder, ad. daaronder; —wltli, ad. daarmede; —withal, ad. daarmede, daarenboven.

Theriae (thiriak), s. tegengif; —al, (thiratakfl), a. als tegengif werkend, heilzaam.

Thermal (th&mal), a. warm.

Vherniotne ter (thvmomata), *. warmtemeter, thermometer; —trlc, —trlcal, (thvmametrik'l), a. van (volgens) den thermometer.

Thenuotics (t/ivmotiks), s. leer der warmte.

These (thfe), pr. pl. van Thia.

Thesis (thitit), n. stelling, (pl. theses).

Thespian (thespian), a. dramatisch, van het treurspel.

Theurgy (thivdii), s. wonderkracht, geestenbezwering,

Thew (thjü), s. spier, pees, spierkracht; —ed, a. gespierd, krachtig.

They (the/), pr. pl. van he, she, Itj — say, men zegt.

Thlck (thik), 9, (het) dikke, gedrang, dicht geboomte; —, a. & ad : —ly, ad. dik, dicht, vol, gedrongen, troebel, grof, menigvuldig, gemeenzaam, snel; through — and thin, door dik en dun ; to be — wlth onc, met iemand zeer intiem zijn; as — as peas

In a shell. overvloedig: to lay It on —,

grove vleitaal bezigen; In the — of the flght, in het hevigst van 't gevecht; as —• as thleves togetlier, twee handjes op éen buik; zeer vertrouwelijk; to speak —, brouwen; —and tliree fold, dubbel en dwars; — of hearing, hardhoorend; —-bodled. zwaarlijvig; —coated, dik van huid; —head, dikkop,domkop;—head,—lieaded, dik van hoofd of kruin, dom; —uecked, dik van hals, halsstarrig; —planted, dicht geplant; —sktill, botterik; —«kulled, — wltted, dom, stomp; —-set, dicht beplant, gedrongen; —skin, lomperd; —-sprung, dicht opgeschoten; —stuff, zware plank, zwalpweger, kimweger; —en, v. a. & n.dik maken (worden), verdikken; the plot — ens, de spanning, de verwikkeling neemt toe; the couibat —ens, het gevecht wordt heviger; —et. s. kreupelbosch ; —ish, a. dikachtig; —ness, s. dikte; dichtheid, stompheid.

Tliief (thif), s. dief; set a — to catch m—,

(spr.) met dieven vangt men dieven; stop — ! houd den dief! to cry thleves and inurder, moord en br.-ind schreeuwen; tliieven' latin, dieventaal; opportunlty inakes the —, de gelegenheid maakt den dief; —-catcher, —-taker, dievenleider.

Thiev e (t/no), v. n. stelen: —ery, s. dieverij, diefstal; —isli, a. —inhly, ad. diefachtig ; —ishness, s. diefachtigheid.

Thigli (thai), 8. dy ; —bone, dijbeen.

Tliill (thil), s. lamoen; —-horse, —er, 8. lamoen paard.

Tliiiitble (thtmb'l), s. vingerhoed, kous;—• l igger, goochelaar, behendige bedrieger.

Thin {thin), a. & ad.; — ly, ad. dun, mager, schraal, ijl, schaarsch, ledig, zeldzaam, klein, gering, zwak, licht; — beer, — air, dun bier, ijle lucht; n — attendanre, een slecht bezochte bijeenkomst: a« — as a lath (— as a wliippiiig-post), zoo mager als brandhout; a — erop, een schrale oogst; —bodied, mager, tenger; —clad, licht gekleed; —«liet, schrale kost; —«Irink, scharrebier; —faced, —vlsaged, bleek (mager) van aangezicht; —gooils, wollen stoffen ; —spun, dun (fijn) gesponnen; —strewed, licht bestrooid, dun gezaaid; — v. a. dun maken, verdunnen.

Tliiite (tha/?i), pr. de (het) uwe.

Thlng (thin,), s. ding, zaak, schepsel; to conté to the sauie —, op hetzelfde neerkomen ; no such —, niets van dien aard ; to do the handsome — by one, iemand edelmoedig behandelen; to know a — ortwo, geslepen zijn, bij de hand, uitgeslapen zijn; I have made a good — of it, ik heb er veel voordeel mede behaald; that Is the (spr. thf) —, dat is je waret — s, pl. zaken, plunje; of all —s. above all —s, bovenal, vóór alles ; all sortn of • s, allerlei zaken ; —uui, fc. Mr. —-, mijnheer Dinges.

Thlnk (thin,k), v. a. denken, meenen, houden voor; to — aiiuch (- —well) of, een*

THE. — THI.

Sluiten