Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TIIU. — TIL.

ral Tom —, generaal Tompouce; —baud, duimsband; —hreadth. duimsbreedte; — latch, klink met een'drukker;—uail, laatste droppel wyn op den nagel, schetsje, teekening; — nail sketches, vluchtige schetsjes; to drink —uail, op het duimpje afdrinken; —piere, greep; —screw, duimsciiroef; —atall, duimeling (vingerhoed voor den duim); —, v. a. beduimelen, onhandig behandelen, doorbladeren.

Thuutp (thamp), s. stomp; —, v. a. & n. stompen, stooten, vallen; —er, s. stomper; —ing, a. groot, plomp; a — iiig lie, een grove leugen.

Thuuder (t/mndg), s. donder; —bolt, bliksemflits, banbliksem; —-clap. donderslag; —cloud, onweerswolk; —ihower. donderbui ; —-atone, dondersteen; —storm, zwaar onweder; —«truck, als van den donder getroffen, verplet; —, v. a. & n. donderen; —er, s. donderaar; — ing, a. donderend, s. het donderen.

Thuri ble (t hik rib'l'), s. wierookvat; — feroua (thurifargs), a. wierook voortbrengend; — flcatiou, b. bewierooking.

Thuraday (thAzdei), s. Donderdag; Holy —, Hemelvaartsdag; Naundy —, Witte Donderdag.

Thua (thos), ad. dus, alzoo, zoo; — far, tot dusverre; — mucli, zoo ver, zoo veel.

Thwack {thrrak), s. slag; —, v. a. slaan.

Thwart (thtcóst), a. — ly, ad. dwars, hinderlyk, lastig; —, s. doft (roeibank); —, v. a. doorkruisen, dwarsboomen, v. n. strydig zyn; —, ad. dwars; —«hips, ad. dwarsscheeps; —wsyi, ad. overdwars; — ing, a. —Ingly, ad. hinderiyk, dwarsdrjjvend; -nes», s. dwarsheid.

Thy (thai), pr. uw, uwe, uwen.

Thym e (thaim), s. thym; —y, a. vol thym.

Thy ra e (thüs) (— thyraua),8.tuiltje,kroontje: Bacchus-staf.

Thyaelf (thatse/f), pr. u zeiven, u zelve.

Tiara (taièr9. taiér9), s. driedubbele kroon.

Tlb (tib), b. liederiyk vrouwspersoon; —cat, kat.

Tibia (tibi9), s. scheenbeen, fluit; —I, a. van

• het scheenbeen, fluit-.

Tick (*»/.), s. borg, crediet, tyk, getik, teek, schapeluis; to buy 011 —, op de pof, op krediet koopen; —, v. a. & n. tikken, borgen; —en, —Ing, s. beddetyk (stof).

licket (Wc9t), s. briefje, lootje, kaartje; free—, vrybiljet; return—, retourkaartje; aeaaon—.abonnementskaart (op spoorwegen); soup—, soepkaartje; that'a the —, dat is je ware, zoo behoort het; — of leave, verlofpas; —collector, briefjesophaler; — porter, briefjesrond brenger; kassier of portier, door een maatechappy aangesteld; —, v. a. van een kaartje voorzien, merken.

Tickl e [Uk*l)t ▼. a. kittelen, v. n. kitteling gevoelen; to — a mau'i palm, iemand omkoopen, de hand stoppen; that —• his f'ancy, dat prikkelt zyne verbeelding — bral 11, zinnenstreeler; —er, s. die kittelt;

—Ing, s. kitteling; -iah, a. kittelachtig, netelig, wankelend; — lahneaa, s. kittel» achtigheid, neteligheid, onzekerheid.

Ï!1 ,aJ ^cht' lekker« lekker beetje.

Tidal (tatd9l), a. van het gety; —harbour, getijhaven; —«wave, vloedgolf.

Tiddle (tid'l), v. a. liefkoozen, troetelen.

Tlde (taid),*. ty, gety, vloed, stroom, tyd, oploop ; —-duty, havengeld; —gate, vloeddeur, sluis; —gauge, peilschaal; —liarbor. binnenhaven; —'auian, — waiter, tolbeambte ; iemand, die de kat uit den boom kykt; low—, laaffty, eb; high—, hoogty, vloedneap—,dead—,doodty; spring—.springvloed; —, v. a. met den stroom medevoeren, v. n. met den stroom medegaan, eb en vloed hebben, wassen, voorvallen.

Tldl ly {taidili), ad. zie Tldy« —ness, s. netheid.

Tidlng, itaidir^z), pi. nieuw», berichten.

lidy ((afdi), ». net, gelegen, gepast, vaardig; —» s. schortje, kwyilapje, overtrek.

Tle (tai), h. band, knoop, strik, vlecht; — of friendahip, vriendschapsband; —, v. a. binden, knoopen, verplichten ; (down) verplichten, verbinden; (up) op-, vastbinden, weerhouden, verbinden; to — the knot, trouwen» huwen; to — a knot, een knoop leggen* to — to rulea, aan regels binden; to — up anoney, geld vastzetten; —r, s. vastbinder schortje. '

Tier ,. reelij, r\), laag; Brat —, eerste

(loge) ril.

Tiercé [tU). ■. derde, tlers (— vat van 42 gallons of H, L.), terts; —major, derde van het aas (kaartspel).

Tiercet (tisit), s. drieregelig versje.

HIT («ƒ), b. slokje, teugje, twist, gemok; to have a —, woorden hebben; to be in a —, een kwade bui hebben; —, v. n. twisten, mokken, een lunch gebruiken; —any, s. gaas, floers; — lu, s. tweede ontbyt, lunch,

Tig (ttff), s. tik, laatste klapje (kinderspel).

Tlge [ti(l£), s. schacht (eener zuil).

Tlger (taiff9), s. tyger; —cat, tygerlcat; — ilower, ty'gerbloem; great —auoth, beermot; — iah, a. tygerachtig.

Tight (tait), a. — ly, ad. vast, hecht, strak, gespannen, nauw, vasthoudend, net, zindeiyk; —flsted, vrekkig, inhalig; — laced. styf ingeregen; to keep —, netjes, zindelyk houden-, to be on one'a — ropea, gemaakt, preutsch zyn; to keep a — haud upon one, iemand kort houden $ — rope, strakke, gespannen koord; It'a a — flt, het past precies; to alt —, nauw zitten; —en, u \ vas* {fespannen, nauw) maken,

dichthalen ; —ener.s.veter,rygsnoer; — ueaa, s. vastheid, hechtheid, dichtheid, strakheid, nauwheid, karigheid, netheid; — a, pl. spanbroek, tricot (voor acrobaten, danseressen).

Tlgr eaa (taifftvs), e. tygerin;—lah, a. tygerachtig.

Tlke (taik), s. teek, hond, boer, lummel.

Tilbury (tilb9ri), t. tilbury (licht rytuig).

Til e (taxi), s. dakpanj glazed —, verglaasde

Sluiten