Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dakpan ; #o have m — oir, (lig.) niet recht by 't hoofd zijn; — e-kilii, pannenbakkersoven ; -e-maker .pannenbakker; -eworki, pannenbakker^; —e, v. a. met pannen dekken; —er, n. pannendekker, -bakker;—lug, s. pannen dak.

Till (til), ». geldlade; —, prp. tot, tot aan; —, conj. totdat; —, v. a. beploegen, bebouwen ; —able, a. bebouwbaar; —«ge, 8. ploeging, akkerbouw; —er, 8. landbouwer, geldlade, spruit, loot, roerpen, helmstok; —-rope, stuurreep; —iweep, luiwagen.

Tilly-fnlly (tili-fceli), int. larie! (rekheid I

Tilt {tilt), 8. regentent, dekzeil, huif, steekspel, stoot, helling; to rtm full — nt, met kracht aanloopen op; to run a — agalnst, een lans breken met (tournooispei); — boat. tentboot; —--hammer, smeedhamer; —place, —yard, tournooiveld, renperk; —, v. a. met een zeil overdekken, vellen (de lans), steken, op zyn' kant zetten, omstooten, smeden, v. n. tournooien, eene lans breken, kenteren; —er, 8. tournooier, schermer, smeder, ondersteek (van een vat).

Tilth (tilth), b. bebouwd land, aanbouw.

'fitting* (tiltinz), s. pi. drab, droesem.

Timbal (timb'l), s. pauk, keteltrom.

Tlmber (timba), s. timmerhout, ruw hout, boomstam, stof, bouwstof, veertigtal (huiden); —•broker. —•merchant, houtkooper; —• head, bolder; —-mark, kuipersmerk; — ivw, houtworm; —toe, houten been; — trade, houthandel; —-wood, timmerhout; —■work, timmer-, dakwerk, buitenhuid; —•yard, timmerwerf; —, v. a. met houtwerk beschieten, bouwen, v. n. zich nestelen.

Timbre (timba), s. de aard, het karakter van een toon.

Timbrel (tlmbral), s. handtrom, tamboerijn.

Time (faim), s. tyd, keer, maal, maat; — and tide walt for no man, tyd en gety wachten op niemand ; — In aooney, tyd is geld;

— out of mind, sedert onheugeiyke tyden; couiini leveu —• removed, neven in den zevenden graad; before (behind) one'i —, den tyd vooruit (ten achter); in no —, in den kortst mogeiyken tyd; to keep one's —, stipt op tyd zyn; In the niek of —, te rechter tyd; np to this —. tot op dezen tyd; in due —. juist op tyd; let — shape, komt tyd, komt raad; to kill the —, den tyd korten; at — •. somwylen; at any —, ooit, te allen tyde; at no —, nooit; afwisselend; for a —, een tyd lang; for the

— heilig, van toen, thans; In —, in tyd, mettertyd; out of —, ontijdig, voor onheugeiy ke tyden, uit de maat; when — was, voorheen, eertyds; when — «hall come, in 't vervolg, mettertyd; — enough, vroeg genoeg; —-enduring, standhoudend, duurzaam; — •glans, zandlooper; —liackneyed, afgezaagd ; —hououred customs, eerbiedwaardige gewoonten; —-keeper, —piece, chronometer, uurwerk; —pleaser,—server, weerhaan, huichelaar; —serving, de huik naar den wind hangend; —table, lyst

der uren van vertrek en aankomst; — worn, door ouderdom vergaan, versleten) —, v. a. naar den tyd regelen, den rechten tyd kiezen voor; —ful, a. —fully, ad. zie Timelyi — less, a. —leasly, ad. ontydlg, voorbarig; —liness, (tatmli), s. tydigheid, gepastheid; — ly, a. tydig, gepast.

Tluiid (ttmid), a. — ly, ad. schroomvallig, bedeesd, bloode; —Ity, (timtditi), s. schroomvalligheid, bedeesdlieid.

Ti mist (latmist), s. maathouder (muziek), weerhaan, huichelaar.

Timoneer (timani,a), s. roerganger, man aan 't roer, stuurman.

Timorout» (timarat), a. —ly, ad. vreesachtig; —ness, s. vreesachtigheid.

Tin (tin), s. tin, blik; — ned lobster, kreeft in blik; plenty of —, veel moppen (geld); —foil, bladtin; — glass, bismuth ; —man, tinnegieter, blikslager; —mine, tinmyn; —ore. tinerts; —plate, vertind plaatyzer; —tack, tinnen spykeitje; —, v. a. vertinnen.

Tincal \ttnVl), s. ruwe borax.

Tinrt (tinjet), a. gekleurd; —, s. kleur, tint, vlek; —, v. a. kleuren, verven ; —ure (tit\hti»), s. kleur, schyn, zweem, tinctuur, aftieksel; v. a. verven, een' zweem (eene tint) geven.

Tinder (tinda), 8. tonder; —box, tonderdoos.

Tine (tain), s. tand (van een vork)i verlegenheid, nood; —, v. a. in brand steken, insluiten; v. n. ïyden, woeden;—nian, boschwachter.

Ting (tin,), s. klank, geklingel; —, v. a. & n. doen klingelen.

Tinge, (tindz), 8. kleurtje, geurtje, smaakje, zweem, vlek; —, v. a. kleuren, een' zweem (eene tint) geven.

, Tingl e (tir^fj'l) v. n. klinken, tuiten, tintelen, jeuken; — ing. s. tuiting, gesuis, getinteL

Tink v. n. zie Tlnkle.

Tinker (ttnlc»), s. ketellapper; —, v. a. & n. lappen, oplappen (up).

Tinkl e (tir^/c'l), v. a. & n. (doen) klinken, rinkelen, tuiten; — lug, s. gerinkel, getuit, getjingel.

Tiun ed (tind), a. vertind ; —er, 8. tingraver; —ing, s. het vertinnen, vertinsel; —y, a. tinhoudend, tinachtig.

Tlusel (tintfl), s. klatergoud; —, a. schynbaar, oppervlakkig; — # v. a. met klatergoud versieren.

Tint (tint), s. tint, kleur; —, v. a. tinten,

kleuren.

Tiny (tatni), a. klein, nietig, gering.

Tip (tip), 8. top, punt, uiteinde, slag, worp, stofkolfje; — of the ear, oorbel; to be on the — of the tongue, (fig.) op de tong liggen ; she coloured up to the —s of her ears, zy bloosde tot over de ooren; to take a —, een raad aannemen; to get a —, gewaarschuwd worden; —cart, wip* kar ; —stafT, diendersstok ; gerechtsdienaar; —toe.top der teenen; to stand on —toe,op de teenen staan; —top a. hoog, hoogst, uit* stekend; s. hoogste graad, beste, voornaam-

TIL. — TIP.

Sluiten