Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tri able (tratab'f), a. beproefbaar. verhoor» baar; — ad, b. drietal, drieklank; —al, b. proef, poging, verhoor, gerechtelijk onder* zoek; —al-halnnce. proefbalans; -altrip, proefrit, -tocht; to be on —al. in onderzoek zijn; by way of—al. bU wUz<? van onderzoek; to «ive a thiug a —al. met Iets de proef nemen; to be committrd fop —al. naar de assizes worden verwezen ; to be bronght ii|» fop — al, voor de rechtbank hreugen; to havea —al. probeere», beproeven ; a —nl ut Itap, openbaar gerechtelijk onderzoek, pleidooi — anale, s. driehoek; —nngnlnr. s. driehoekig; — archy s. reeeerincr van drie personen, driemanschap.

Trlb e (traib), s. stam, geslacht, klasse, soort; —e, v. a. in klassen verdeelen; —al custom*, de gewoonten van een stam.

Trlblet (trtbïat), s. rondspil (by goudsmeden).

Tplhulatioii (irihjuleti'n), s. wederwaardigheid. kwelling, verdriet.

Tpibim al (traibiikn'l), s. rechtbank, gerechtshof, rechterstoel; — e (trtbjün), s. gemeensman, tribune.

Tplbut apy (trtbjütari), a. schatplichtig, cijnsbaar, s. schatplichtige; —e, s. schatting, cüus.

Tpice {train), s. oogwenk, oogenblik.

Tricepa itratnaps), a. driehoofdig.

ïrlck (trik), s. streek, list, kunstgreep, poets, grap, aanwensel, trek, slag; the od«l —.(hij 'twhistspel) de zevendeslaff.de trek; toplay oue a —, Iemand een poets spelen; to kno«v a — wopth two of it, iets beters weten; to be at one'a — a, weer aan den gangziin met zijne guitenstreken; — fop —, leer om leer; —, v. n. bedotten, foppen; (ofT, out, ii|») opsmukken; v. a. bedrog plegen; to — oue out of uioiiey, iemand geld afzetten; —ep, 8. zie Trickater, Triggerj —ery, s. bedriegerij, kunstgreep, (het) opsmukken; — lalt, a. — lahly. ad. bedriegiyk. listig; —ialineaa. s. bedrieglijkheid, listigheid.

Trickle {trtk'l), v. n. droppelen, druipen, biggelen (down).

Trick «ome «rlAww), a. zie Trlcklaht — atep, s. listige bedrieger; — y,a. lief, aardig; —track, s. triktrak.

Tricolor (tratkvl»), s. driekleur (vlag); —ed, a. driekleurig.

Tpide (/raid), a. vlug, flink, van zessen klaar.

Trident (traidant), s. drietand; —, — ate, a. drietand ig.

Trienuial (traienial), a. driejarig, driejaarlUkscli; a — conference, een driejarige bijeenkomst; — ly. ad. om de drie jaren.

Trlep itraia), s. onderzoeker, rechter, beproever, toetssteen.

TpI f'illow (tratfalÖ), v. a. voor de derde maal omploegen; —lltl, a. driespletig (van planten).

Tpill n (tratf'l), s. kleinigheid, beuzeling; a — blackep, een beetje zwarter; to «tand upon — e*. aan kleinigheden hangen; —e, v. a. (away) verbeuzelen, v. n. beuzelen, dartelen, schertsen; to — witli a person, met iemand spotten; to — away wltlt one'i

TRI. - TRL

time, ztfnen tUd verbeuzelen;—er, s. beuzelaar; "7,nK» —ingly, ad. beuzelachtig, onbeduidend; — Ing. s. gebeuzel, kortswijl; —Ingneaa, s. beuzelachtigheid

Tri follnte (traifou/ieit), a. driebladeriff;

forni, a. drievormig.

Trlg (trig), a. vol. gevuld, net, proper; —, v. a. vullen, stoppen, remmen; — aany, a. drievoudig huwelijk, driewyvery ; —rcp, s. trekker, span-, remketting.

Trigon (tratg'n), s. driehoek;—al (trtganal), a.driehoekiir; —oinetriral {tr iganaints tri/c" l), a. van de driehoeksmeting; — ometry (frnganom»tri), s. driehoeksmeting.

Trllateral (traifn-taral), a. driezijdig.

Trjll (tril), s. triller; —, v. a. met een triller zinven; v. n. trillers makeu.

Trilliou (trtljan), s. trillioen.

Trim (trim), a. —ly, ad. net, fraai, passend, opgeschikt; —, s. opschik, tooi. belegsel, goede stuwing, stand (van een schip); —, v. a. opschikken; (up) in orde (evenwicht) brengen, beleggen, opmaken, snoeien; (otr, up) behakken, inrichten, behoorlek stuwen, doorhalen ; v.u. wei telen,draaien; to — a rand Ie, een kaars snuiten; to — a lamp. een lamp schoon maken; —nier, s. opschikker, opmaker. draaier, weerhaan; — miug,b. belegsel; —ness, s. netheid.

Trin al ;tratnal), —e, a. drievoudig; —e, s. asdeel van 120 graden.

Trhilt arian (trinitê»rian), a. voorstander van de leer der Drieeenheid; —y, s. Drieeenheid.

Trinket {trtr\k>t), s. speelgoed, sieraad, snuisterij. beuzeling, bramzeil.

Trlnomial (trainnumial), a. drienamig.

Tpip (trip), s. stoot, greep, voetlichting, struikeling, misslag, uitstapje, vaart, gang; — hamnier, smeed hamer; —, v. a. den voet (een beentje) lichten: (up) betrappen, lichten, v. n. struiketen, een' misslag begaan, een uitstapje maken, trippelen; —per, reiziger, danser; clieap —per, iemand die op een goedkoopje reist.

Tri part! te (traipatit), a. driedeelig; — tion (traipdtté'n), s. verdeeling in drieën.

Tplpe (traip), s. ingewand, pens; —houae, penshal; —man, pensman; —market,pensmarkt; —ry, h. penshal.

Tpipetnloua (traipetalai), a. driebladerig.

Tplphthoi»n (tripthon,), s. drieklank.

Tpipl e (trtp'l), a. —y, ad. drievoudig; — nlliaiice, drievoudig verbond; —crown, tiara (van den paus), drievoudige kroon; — time, trippelmaat; —e, v. a. verdrievoudigen; —et, s. drieblad, drietal, drierymig vers, triool.

Triplic ate (/rfp7i/kv^),a.drievoudig; — atlon, s. verdrievoudiging; — Ity (traipltniti), s. drievoudigheid.

Tripod (tratpod), s. drievoet.

Tripoli (frtpali), s. tripel (aardsoort).

Tripp er (*rfpé>), s. struikelaar, trippelaar, stotteraar; —Ing, a. —Ingly,ad.struikelend, trippelend, vlug.

Sluiten