Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Unrelgned (onrelnd), a. teugelloos.

Unre Jected (vnridzektid), a. onverworpen; —Jolelng, niet verblijdend, droevig; — lated, a. onvermeld, onverwant (to)i — laxiog, a. onvermoeid; — leaatiug, a. onbuig/.aam, onverbiddelijk, niet verflauwend; —llevable, a. niet te verhelpen; — lieved. a. niet geholpen, - verlicht, • ontzet, • ai (je lost; — markable, a. onmerkbaar, niet merkwaardig; —aaaedied (vnrem9ilUl), a. niet verholpen.

Unrenaeuaber ed (ourimemhad), a. niet her innerd; — iaag, a. niet indachtig.

Unremitt ed (onrimUid), a. onovergegeven, aanhoudend, niet overgemaakt; — lug, a. —ingly, ad. onophoudelijk.

Uuremov able (onrimftv'bl), a. —ably, ad. onverplaatsbaar, onwrikbaar; —ed, a. niet weggeruimd, • verplaatst, onbeweeglijk.

Unre newed (vnriujiku), a. niet vernieuwd; —pa ld, a. niet terugbetaald, onvergoideu ; —pairable, a. onherstelbaar; — palred. a. niet hersteld; — pealable, a. onherroepelijk; —pealfd, a. niet herroepen; —peated, a. niet herhaald.

Unrepeait nut (oiripeut'nt), —lug, a. onboetvaardig; —ed, a. onherouwd.

Unrepiulaag (vnripainh\), a. —ly, ad. geduldig, gelaten.

Unrepleaaiahed (vnripleniit), a. onaangevuld.

Uurepreaeuted (vnreprszentid), a. niet voorgesteld, niet vertegenwoordigd.

(Jure prievaltle [n?ir*prio'bl), a. niet voor uitstel (kwijtschelding) vatbaar; —prleved, a. niet uitgesteld, ouhegenadigd; — proaclied, a. onberispt; —provable, a. onberispelijk; —proved, a. on berispt; —paagaaaaat, a. niet afkeerig, niet strijdig (to); —qiaeated, a. onverzocht; —quitable, a. niet te vergelden; —quited,a. onvergolden; — aembliaag, a. ongeiykend (to); —aeaited a. zonder wrok.

Uureaerv e(Durizöo),s. openhartigheid, — ed, a. —edly, ad. onvoorbehouden, zonder voorbehoud, openhartig, vrijmoedig.

Unreeiet ed (onnzistad). a. niet wederstaan, onweerstaanbaar; — iaag, a. geen weerstand biedend (to)-, lijdelijk.

Uuresolv able (onrszolifbl), a. onoplosbaar; —ed, a. onopgelost, besluiteloos; —lug, a. niet oplossend, besluiteloos.

Uurespect ed [vnrjspektid), a. ougeëerd, ongeacht; —ful, a. — fully, ad. oneerbiedig; —fulneaa, s. oneerbiedigheid.

Unre apited (imrespitsd), a. onuitgesteld, zonder verpooziug; —apoaaaible, a. niet verantwoordelijk.

Uaireat (vnrest), s. onrust; —laag, a. rusteloos.

Unre atored (onmtóad), a. niet hersteld, niet teruggegeven; — atraiued, a. onbeperkt, onbelemmerd, teugelloos; —teutive, a. uiet onthoudend, zwak (van het geheugen); — tracted, a. niet herroepen; —vealed, a. ongeopenbaard; —veuged, a, ongewroken; —weaageful, a. niet wraakzuchtig; —vèreaid (vnrevar'nd), a. niet eerwaardig, oneerbiedig; —Tereed, a. niet afgeschaft, niet herroepen,

niet vernietigd; —voked, niet herroepen; —warded, a. onbeloond.

Unriddle (unrtd'l), v.a. ontraadselen,oplossen.

Uurifled (onrai/fd), a. ongeplunderd, niet getrokken (van geweren).

Uurig (onriij), v. a. onttakelen, aftuigen; — ged, a. ongetakeld, afgetuigd.

Uurtgliteoua (vnraitidB), a. —ly, ad. on* rechtvaardig, goddeloos; — iieee,s. ongerechtigheid.

Uaarightful (vnraltfl), a. onrechtmatig.

Uuriug (o/ir#/{), v. a. van ringeu ontdoen.

Uaarip (ouraip), v. a. zie llip.

Uaaripe (onratp), a. onryp; —neee, s. onrijpheid.

Uurivalled (onratV9ld),a. zouder mededinger, weergaloos, niet geëvenaard.

Uurivet (onrtoat), v. a. losslaan; — ted, a. ongeklonken.

Unrobe (o/iroM&), v. a. ontkleeden.

Unroll (u/troul), v. a. ontrollen.

Uiiroof (onrüf), v. a. van het dak berooven.

Unroost (vm Ast), v. a. van den roest jagen.

Uaaroot (Dnrüt), v. a. ontwortelen, uitroeien.

Uaarougla (onruf), a. glad, baardeloos.

Uiirouuded (vnrau)idid), a. niet gerond.

Uurouted (onrautul), a. niet in wanorde gebracht, niet ver.,aagd.

Uuroyal (onroisl), a. onkoninklijk.

Unruflle (onruf'l), v. n kalm (stil) worden; —d, a. kalm, tttil, ongeplooid.

Uurul ed, (onr&ïd), a. niet bestuurd; -ny. ad. —y, a. onregeerbaar, weerspannig, toomeloos; — ineae, s. onhandelbaarheid, ontembaarheid, weerspannigheid.

Uurumple (onroinp'l), v. a. ontrimpelen.

Uuaaddlv (vimard'l), v. a. ontzadelen; —d, a. ongezadeld,

Uuaafe (owetf), a.; — ly, ad. onveilig; — ty, s. onveiligheid.

Uatoaid {outerd), a. ongezegd.

Unaalable (onxelidb'l), a. onverkoopbaar.

Uaaaalted lonxóUjd), a. ongezouten.

Usaauluted (omceljittid), a. ongegroet.

Uaiaaatcti lied (on*a:n,ktiJaidj, a. ongeheiligd, ongewijd; — oaied, a. onbekrachtigd.

Uaiaated (onseltgd), a. onverzadigd.

Uaawatiefact ioaa [v>i»ceti*ftKké'«), s. ontevredenheid; —orily, —wry, a. onvoldoend; — orlaaeaa. s. onvoldoendheid.

Uaaaatlaf iable (onstrtitfanbl), a. onverzadelijk; —led, a. onvoldaan, onbevredigd; — yiaag, a. onvoldoend.

Uaaaaturated (on*i*tjureit»d), a. onverzadigd.

Uaaaavor ily (onmto»ri(y), ad ; —y, a. onsmakelijk; —iaaeaa, s. onsmakelijkheid.

Uaaaay [Dnret), v. a. herroepen.

Uaaecal able (oiukeiltb'l), a. nnbesttygbaar; —e, v. a. van schubben (schilfers) ontdoen; —y, a. niet schubbig, - schilferig.

Uaaacaaaaied (V7ukttnd), a. ondoorzocht, onoverlegd.

Utaacared (ontkèad), a. onverschrikt.

Uuacarred (viukad), a. zonder litteekeni,

Unacatiaed (oruketth'd), a. ongedeerd, onbeschadigd.

UNR. — UNS,

Sluiten