Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UPP. — UTT.

Upper (»pp), a. boven-, opper-, hoogst; — crust, bovenkomt; —*hmid,overhand,voordeel; —hou«e, Hoofrerhuis;—leut lier. bovenleer; —lip,bovenlip; —most, a. bovenst, Jioorst ; —ntory, bovenverdieping; to ben little queer in one's —story, niet wel by t hoofd zyn ; —teeth, boventanden; — world, bovenwereld; the —Ten (ThousaimI), de ryken, de voornamen.

Uppish (opii), a. trotsch, verwaand. Upraise (opretz), v. a. oprichten, verheffen, opwekken.

Uprear {oprit), v. a. oprichten, opkweeken. Upriglit inpiait), (vprait), a. -ly, ad. recht op, overeind, oprecht, rechtschapen; —ness, s. rechtschapenheid, l'pris e (vpratz), v. n. opstaan, ryzen; — e,

—Ii»u, s. (het) opgaan, opkomst.

Uproar (»/>ró<?), s. oproer, verwarring, geraas; —loua, a.; —iously, ad. oproerig, geraas makend.

Uproot (vprikt). v. a. ontwortelen.

Uprouse ivprauz) v. a. opwekken.

Upset (vpset), v. a. omverwerpen; v. n. omslaan.

Upshot fupiot), s. besluit, uitkomst, uitslag. Upside fnpsairl), s. bovenzijde; —down.ad.

het onderste boven.

Upspriiiff, zie Upstart. t'pstaiMl (-opstand), v. n. overeind (recht op) staan ; the — iiig assemblage were requewted to resume their seats, de staande vergadering werd verzocht weer ts gaan zitten.

Upstart (opgtdt), s. gelukskind, parvenu; v.

n. opspringen. '

Uptake inpteik), «.opneming,begrip; hls excesslve «lowness in the —, zijne ontzettende traagheid van begrip.

Uptear Ivptê»), v. a. uit den grond rukken • aan stukken scheuren. '

L'pturn (vptAn), v. a. opwoeien, omploegen. Vpward [opwgd), a. opwaartsch; —, _gt ud. opwaarts, naar boven, hooger, meer dan. Upwind vrusalnd). v. a. opwiuden. l/ranography {jünnognfl),, s. hemelbe-

schryvinff.

Urban (Ah'n), a. stedeiyk.

Urban e (ö&ef/i), a. wellevend, minzaam; —

ity, s wellevendheid, minzaamheid.

Urchin (Atiin), 8. egel, kleine schelm; deugniet.

Ure dü»), n. gewoonte, sleur, gang.

Ureter (jürit»), s. pisleider.

Urethra (jürithrg), s. pisbuis.

Ur«e {vdé), v. a. dringen, aanzetten, aansporen, sterk aandringen op, verbitteren, bespoedigen, opstoken, opgeven, voorwenden; v. n. dringend zyn, voorwaarts dringen; — ncy, s. drang, dringend verzoek; —ncy was de zaak werd ««"gent verklaard (in t Parlement); -nt, a. — ntly, ad. drin~nt "«cesslty, dringende noodzakelijkheid; —r, s. dringer, aandryver.

Uriu al (jürin»!), s. pisglas; —ary, a. pi».; —ative, a. pisdryvend; —ator, s. duiker;

—e, s, pis, urine; v. n. wateren, water loo; — ous, a. pisachtig.

Urn (»m), s. urn, vaas, kruik, lykbus; —, v.

a. in eene urn doen.

Us (o*), pr. pl. ons.

li**9***)» *• gebruik, gewoonte,behandeling ; —ance, s. gebruik, uso, interest, woeker; bills at —ance, wissels betaalbaar volgens usantie.

Use (ju*), r. gebruik, gewoonte, oefening; nut, voordeel,behoefte, interest; to pnt to —, op interest zetton; to pnt to good —, to make a good — of, een goed gebruik van iets maken ; it was no —, het hielp niet; it was of no —, het diende nergens toe; het was van geen nut; to be out of —, niet meer in eebruik zyn; accordlng to — s nud customs. volgens usantien en gewoonten; — nnd wont. gewooniyk gebruik; — (?uz), v. n. gebruiken, uitoefenen ; gewen®®n J5°)i bejegenen, bezoeken ; to — one kindly, well, III, iemand vrlendeiyk, goed, slecht behandelen ; (up) verbruiken; to — the ses, ter zee varen; — v.n. plegen, gewoon zyn; — ful, a. — fully, ad. nuttig; — fnlness, ■. nut, nuttigheid; —les*, a. nutteloos; — lessness, s. nutteloosheid; —r Ljikz») ,s. trebruiker.

Usher (oi»)t g. inleider, ceremoniemeester; deurwaarder, onderzoeker; v. a. binnenleiden, aanleiden, invoeren, aankondigen. Usqnebaugh Imkwibó), s. kruideubrandewiin,

(Iersche) whisky.

Ustulate astjuleit), a. zwartgebrand, gezengd. Ustion [n*tian), s. het branden, verbranding. Usual (jAétisl), a. — ly. ad. gebruikeiyk, gewoon, gewooniyk, doorgaans; as—, als naar gewoonte; —■!«.»«, s. gewoonte;gewoonheid. Usu caption (jüzuktrpi'n), s. verkryging van eigendom door het verjaringsrpcht; — fruct. s. vruchtgebruik; — fructuary s. vruchtgebruiker. 8 Usnr er (jftzur9), s. woekeraar ; — lous, a.

—ionsly ad. (jüzikrüs), woekerend.

Usurp (juzAp), v. a. overweldigen; —ation.s. overweldiging; —er, s. overweldiger; — — iously, ad door overweldiging.

Usury s. woeker; to pay with —,

met woeker betalen (ook fig.).

Utensi! (jütensil), s. gereedschap, werktuig;

sacred —, heilige vaten (k. k.); kitchen _.7~* —• keuken-, boerengereedschap.

Iter ine [jiktarain), a. van de baarmoeder,

van moederszyde ; —us. s. baarmoeder.

Utll Ity (jütiliti), s. nuttigheid; — ise (jiktilatz), v. n. een nuttig gebruik maken van; motor care utilized to draw omnibuses, motorwagens gebruikt om omuibussen voort te trekken.

Utmost (utmouft), a. & s. uiterst, hoogst; to

do «»ne's —, zijn best doen.

Utopian (jütoupian), a. hersenschimmig,

denkbeeldig.

Ut ter int»), a. — ly, ad. uiterst, geheel, volslagen ; — distress, diepste ellende; —, v.a. uiten, uitspreken, openbaren, verspreiden, 1a

Sluiten