Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WEL. - WHE.

hersteld, goed, behoorlek, gepast, gelukkig, gunstig, voordeelir, op een' goeden voet, in gunst, gezien (with, bU); toereikend, voldoende, gaarne, zeer; —, --the», nut, welaan!; as — as, zoowel al*: — eaiough, tamelijk wel, vry goed; — to-do,—-to-live, welgesteld, bemiddeld ; — •near, — nigh, b^jna; all'a — thnt end* —, het einde kroont het werk; to be — -ofT, er goed aan toe zyn; —-a-dny, z'e Welnway | —, I «ever!, heb ik van myn leven!; feave — alone. het betere is de vijand van het goede; —afl'ected. a. welgezind; — •almed. a. goed gemikt; — ben ten, a. goed gebaand; — heilig, s. welzyn ; —beloved. n. veelgeliefd ; — -born, a. van goede geboorte; —• bred, n. welopgevoed; — ronditioned, a. in goeden toestand, onbeschadigd; —deacended. a. van goede afkomst; —-deaerviug, a. verdienstelijk; — diapoaed, a. gunstig gestemd; — doing. a. edel handelend, h. goede werken, welstand; —done, int. braaf!, goed zoo!; — -favored,—-fentured, a. bevallig, schoon; —feil, a. welgevoed; —-grounded, a. welgegrond; —-known, a. welbekend; — mannered, a. welgemanierd; —meaiiiiig, a. welmeenend; — ïneaiit, a. welgemeend; —met, ad. juist van pas, int. welkom!; —miiided,a. welgezind, oprecht; — nntiired, a. goedaardig; — pleaaing, a. welgevallig; —•■een, a. zeer ervaren; — ahaped, — turned, a. welgemaakt; —-apent, a. welbesteed; — -spoken, a. welbespraakt; — «taated, a. ainakeluk; —-tiuied.a. te rechter t^jd gedaan; —-trnded, a. neringruk; —-weiglted.a. wel overwogen; —-willer, a. goedgunstig persoon, begunstiger; —'wiih, s. goedgunstigheid, gelukwensch; -—wlaher, s. begunstiger, gelukwenaclier; —wroiight. a. doorwrocht.

Welt [welt), a. rand, zoom, omboordsel; —, v. a. zoomen, omboorden; —er, v. n. zich wentelen.

Wen (wen), s. wen, uitwas.

Wench (weni), b. deern, lichtekooi, kleurling, negerin; —, v. n, hoerenjagen; —er, a. hoerenjager.

Wend [wend), v.n. wenden,gaan; to — one'a way to, z^n weg gaan, zich begeven naar.

West, a. & ad. west, westeiyk; — by aiorth, west ten noorden; — by aoutli, west ten zuiden; —, s. (bet) westen; — ering, a. westwaartsch, westwaarts loopend; — eriy, a & ad weatwaartsch; westwaarts; —ern.a. westeiyk, westerscb; to — eriilae India, Indifi (Eng.) beschaven (de westersche beschaving in Indië invoeren); tlie — ernmoat jpoint of Iceland.het westelijkste punt van Ysland; —ward, — wardly, ad westwaarts.

Wet (wet), a. nat, vochtig; regenachtig; — througfi. door en door nat; —•blanket.s. pretbederver; —bob, s. liefhebber van watersport ; —-doek,». dryvend dok ; —-nurse, min; —ahod, met lekke schoenen; —ting, een nat pak; he got a —, hy iaMoor en door nat geworden; — t s. nat, vocht, vochtig

weer; —, ▼. a. nat maken, bevochtigen ; — a. natheid, vochtigheid; —tiah, a. nattig, vochtig.

Wether (ireth»), s. hamel.

Whaek a. & v. a. zie Whap.

Whale [weit), a. walvisch ; —bone, balein;

— fln, walvisclibnard; —flaher, —mat», walvisch vaarder ; — flahery, walvischvangst; —r, a. walvischvaarder.

Whame (wtim), a. paardenvlieg, brema.

Whap [wop), a. slag, smak; —, v. a. & n. slaan, neeramukken; (over) omslaan; —per, a. bom, baas, iets zeer groots; leugen.

Wharf (wÓ9f), s. werf, kaai, landingsplaats;

— por ter. kaaiwerker; —, v. a. aan wal brengen, lossen; — age, s. kaaigeld; —iuger, s. kaaimeester (— —porter).

What (wot), pr. wat, dat, welk, hetgeen, hoeveel ; — day. op welken dag, toen ;— time, op welken tyd, ten tydedat; — for, waarom, waartoe; — of tliat, wat komt dat er op aan?—, ad (with) deels door; — tliough,ofschoon; — int. wat! hoe! — ho. heida! —ever, —•oever, pr. wat ook , —then ?, wat zou het? — do you call it? hoe noemt g\j het ? — Is her name ? hoe heet 7.y ? — o'clock ia it ? — time ia it? — ia the time? hoe laat is het? to know — ia —, zyn weetje hebben; Mr. — do-y«»ii-eaU'm, Meneer Dinges; — with one tliing and another, door allerlei omstandigheden.

Whanp (wóp), s. watersnip.

Wlieal [wtl)t a, blaar, vin, puiatje, litteeken; myn.

Wlieat (wit), s. tarwe; bear<led —, spelt; liidian —, Turksche tarwe, mals; —ear, tarwe-aar, tapuit (vogel); — flour, tarwemeel; —-grasa, kweekgras; —plum, witte pruim; —-aheaf, tarweschoof; —en, a. tarwen, van tarwe.

Wheedle {witl'l), v. a. & n. flikflooien, bepraten ; —r, a. flikflooier, beprater.

Wheel [wil), s. wiel, rad ; spinnewiel, achyf, wagen, omdraaiing ; to break npon the —, radbraken ; put your ahoulder to tlie —, pak de zaken flink aan ; to put a spoke in one'a —, in de wielen rijden, een spaak in 't wiel steken; to be a fll'th — to tlie coach, het vyfde rad aan een wagen zyn; —• withiu — a, iets zeer ingewikkelds ; to break a fly upon the —, een ongefivenredigd zware straf toedienen; zich onnoodig veel inspannen ; —barrow, kruiswagen; — boat, raderboot; —rap, naaf kap; —-carrlage, voertuig op wielen ; —drag, remschoen, rem; — Ore, radvuur; —-hoop, naaiband; -ring; —-horae, disselpaard; — house, raderkast(« paddie box);—•nave, wielnaaf; —rope, stuurreep ; —ahaped, rad vorm ig ; —aheave, schyf in een blok; —atone, aiyprad, -steen ; — wludow, rond venster (als een wiel); — work, raderwerk; —■wriglit, wagenmaker; —, v. a. & n. kruien, rollen, voortrollen, ora —.ronddraaien, afwisselen, zwenken; —ed, a. met wielen; —er, •• wiel-, wagenmaker, ronddraaier, dis-

Sluiten