Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

YOK. — ZYM.

a. het toegeven, opbrengst, orêrgaaf; —Ine* ness, a. toegevendheid, inschikkelijkheid.

Yoke, (jouk), s. juk, span, koppel; —elnt, hagebeuk; —fellow, —mate, makker, lotgenoot, echtgenoot; — line. —-rope. stuurtouw; to benei beneatli the—«zich onder het juk krommen; a — of nxru, een span ossen; the — of alavery,of inatrlmoity, het alaven-, het huwelijksjuk; —, v. a. Tn het juk spannen, vereenden, koppelen (to. wlth). onder het juk brengen; to be — d together, met elkaar vereenigd.

Volk (jonk), s. dooier.

Yon (jon), Youd, Vonder, a. gindsch, ad. ginds, ginder.

Yore (ió»), ad. of —, In daya of —eertijd*, ▼oorheen, in oude tyden.

You (>*), pr. gü, u.

Yoang (ion), a. jong, onwetend, onervaren; —wan, jongeling; a —perton, een jong meisje; —, s. jong; to be wlth —, drachtig ztfn;—Ish, a. jeugdig; — llng, s. jong; —ly. a. jeugdig; ad. in de jeugd; —eter, a. jongeling, melkmuil, jong matroos.

Younker, (;»»{*»), a. zie Youngater.

Your (jÜ9), pr. uw, uwe, uwen; — a. (itfae), pr. de (het) uwe; —eelf, pr. —aclvea, pr. Pl. u. (gil) zelf, (gij) zeiven.

Yonth (jüth), s. Jeugd,jongeling,jongmensch; -fnl. -ly, -y. ». -rally. »d. jeugdig; —fulneee.s. jeugdigheid.

Yaacca (jofes), s. jucca, adamsnaald, broodwortel .-

Yule (jül), s. Kerstmis; —block, —clog,

log, houtblok voor het Kerstvuur; —tide. Kersttijd. '

Z.

Z (eed)i Z, (Hom. get.) 2000; Z. G„ Zoolocleal Onrdena, Dierentuin (= Zoo).

ZaflTre (zirfg), s. zafTer (soort van kobaltkalk), azuurblauw.

Zany (zetui), s. hansworst.

Zea (zij), s. mals, Turksche koren.

Zeal (zil), s. yver.

Zealot (eeltt), a. IJveraar, dweper; —lam, -ry« s. blinde Üver, dweperij.

Zealou* (zelas), a.; —ly, ad. üverig; — neaa, a. Ijverigheid, Ijver.

Zebra (ziOrt), a. zebra, woudezel; —-wolf, buidelwolf.

Zeehin (zekin), s. zechien, zeccliino (ItaliaanBche gouden munt).

Zenlth (zenith), s. zenith, toppunt; tlte — of power, het toppuut van macht.

Zeolite (ztêlait), s. schuitnsteen, zeoliet.

Zephyr^(ze/9), s. zefir, westenwind.

Zero (ziiö), s. nul, zero, vriespunt.

Ze at (ze»t), s. middelschotje (in eene okkernoot), citroen-, oranjeschilletje, smaak, geur; to give a — to, geur (kleur, smaak) geven **»; —, v. a. geurig maken.

Zetetlca (zititik$)% pl. het zoeken naar onbekende grootheden (algebra).

Zlg«ag (ztü&BO)» *• hoekig, zigzagswijze; —, a. zigzag; —, v. a. zigzags wtys maken.

Zlne (zinjc), s. zink; — (l»)y, a. zinkachtig; — ograph (zti\k»araf), gravure op zink; — «^raphor (zinjcogrgfs), graveur op zink; —«graphy (zii^k^jroji), graveerkunst op zink; —worker, zinkwerker.

Zodlac (zoudigk), s. dierenriem; —al (zoudatfk'l), a. van den dierenriem; —allicht, zodiakaal licht.

Zone (zoun), s. gordel, luchtstreek; torrld —, boete luchtstreek ; frigld —, koude luchtstreek; teiuperate —«gematigde luchtstreek.

Zoogrnph er (zonugraf»)t a. dierbeschrijver; —y, s. dierbeschryving.

Zool ite (zouglait), s. diersteen, zooiiet; — atry (.zouohtri), s. dieraanbidding.

Zoolog leal (zoualodzik'l), a. dierkundig, zoölogisch; —leal garden (= Zo»), diergaarde ; —y (zouol9d£i), s. dierkunde.

Zoopliyte (zou9jait), s. plantdier.

Z«»otom iet (zouot9mist), s. dierontleder; —y, s. dierontleding, -ontleedkunde.

Zounda (zaundz), int. verduiveld!, drommela!

Zygo.na (zail/oum9), a. jukbeen; — lio \zia»mee tik), a. van het jukbeen.

Zymo logy (zaimoladzi), s. leer der gisting; —nieter (zaimom9t9), a. gistingmeter; —tic, gisting veroorzakend; — tic dieeneea. beametteiyke (epidemische) ziekten.

Sluiten