Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tersche toehoorders er van walgden. Het hoogheilig Sacrificie der Mis kreet men uit voor paapsche a f g o d e r ij. « Men moet de priesters uit het land jagen , monniken en papisten schuwen als de pest!" zoo riepen zij.

Ambten en waardigheden mochten door geen Roomschen bekleed worden. Deze maatregel vooral werkte verderfelijk voor velen, die vrij onverschillig waren voor den godsdienst, want de hoop op stoffelijk gewin deed die laffe Katholieken de ketterij omhelzen. Anderen, meer met rijkdommen gezegend, verlieten Holland en trokken naar de Zuidelijke Nederlanden, waar zij vrijelijk hun godsdienst konden uitoefenen. Zoo verminderde allengs de Katholieke bevolking, vooral in Holland, Zeeland en Friesland, d. i. in die gewesten, waar de dweepzieke ketters den meesten invloed hadden.

3. Eene ware ramp voor onze Katholieke voorouders was de dood van Frederik Schenk van Tautenburg (1581), Aartsbisschop van Utrecht. Sedert dien tijd toch werden de eenmaal zoo echt Katholieke Nederlanden een missieland, bestuurd door Apostolische Vicarissen. En dezen werd het als eene halsmisdaad aangerekend , zoo zij hunne benoeming van den Paus aannamen. Dit ondervond o. a. Sasbout Vosmeer, uit eene aanzienlijke familie te Delft gesproten. In 1602 te Rome Aartsbisschop gewijd, werd hij als Apostolisch Vicaris naar Holland gezonden. Nauwelijks echter droeg het bestuur daarvan kennis, of de doodstraf werd over hem uitgesproken ; dit vonnis werd later in eene levenslange ballingschap veranderd. Vosmeer vestigde zich dan te Keulen, en bezocht onder eene vermomming zijne vaderstad en Den Haag , om

Sluiten