Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Slechts de duivel, hij, de booze,

Vloekt den Naam van zijnen God, En met hem de goddelooze,

Die op aard dien Naam bespot.

Ja, de mensch, zoo dicht bij d' Eng'len,

Spant met satan snood te zaam;

En in plaats van 't loflied meng'len, Lastert hij Gods heil'gen Naam.

3. t Leven heeft hem God gegeven,

Om te wand'len tot Zijn lof;

En met d' Eng'len eens te leven,

In het zalig Hemelhof.

Maar, al vloekend vraagt d' ontaarde

Van dien God van heiligheid,

Die hem voor den Hemel spaarde, Een rampzaüge^eeuwigheid.

4. Vragen wij voor hem genade,

Bidden wij tot onzen Heer:

Dat de mensch Gods Naam niet smade,

Maar Hem heil'ge meer en meer. 't Driewerf „Heilig" klinkt daarboven,

d' Eng'len zingen Gode lof;

Ook de menschen zullen loven Zijnen Naam in 't aardsche stof.

Sluiten