Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

!^,t ®\W^terVOgei8' ,aldaaI, de vleugels, voor zoolang het feest duuide, hadden gestreken. De rivier, die thans Haarlem in twee deelen scheidt, vormde te dier tijd zijn zuidelijke grens, daar het gedeelte der stad, aan den kant van Amsterdam gelegen, toen nog w 4^jSi gebouwd- AF dlen zuidelijken oever vertoonde zich, op net tijdstip, waar wij van gewagen, een wpuitgestrekte rij van tenten, verschillende m kleur en vorm en omtrek, die den schijn zou hebben aangeboden van een vliegend leger, dat Haarlem was overvallen, zoo niet de bonte kleeding der talrijke wandelaars, die voor de tenten heen en weer drongen, en niets krijgshaftigs hadden, de stoet van vrouwen en kinderen, die er overal tusschen krioelden het blijde gezang en gejuich en gedans der menigte, het omzwerven van minnezangers en poetsenmakers, kwakzalvers en goochelaars, in één woord, de vroolijke drukte, die er heerschte, een sprekend bewijs ,de vernielende krijgsgod" niets met dat legertje te maken had. Van afstand tot afstand vertoonde zich een paviljoen grooter m omvang en rijker in versierselen dan de overig^ ja soms een houten loods, van waar de groene krans, boven den ingang opgehangen den voorbijgangers aankondigde, dat daarbinnen versch blanke melk, zoete meede, ja zelfs, voor de meest bevoorrechten, echte klareyt, zedewaarswijn en malvezij te vinden waren.

De rmer zelve leverde, gelijk ik met een woord heb aangemerkt geen minder verscheiden tooneel op. Behalve de menilvuldieé schuiten en schepen, die tot huisvesting der eigenaars verstrekten, en aan touwen of kettingen vastlagen, zag men tallooze vaartuigen

onHp!-I+^ïlanI>V5r+n^en + J ?n' b®laden met al, wat men kon veronderstellen, dat de stad gedurende het verblijf der vreemdelingen

zou noodig hebben Groote platgeboomde aken brachten ossen en varkens uit Waterland, of vette schapen uit Gooiland, of hooi en gras uit Kennemerland aan: in kleinere schuitjes zag men de met koper beslagene vaten blinken, waarin de room of melk werd toegevoerd: hier zag men een schuitje, dat met warmoes van over het meer aankwam, tegen een Enkhuizer jol stuiten, die pekvaten voerde om tot de vreugdevuren te dienen: of een armen palingvisscher schier overzeild door een Wsche kof met mastboomliout geladen: wat verder scholden de schippers van een Rijnsche aak, die wijn aan boord had, en een boterhaalder uit Delftland elkander de huid vol en betwistten zich een ligplaats zonder elkander te verstaan woordeluk als overdraeWijk gesproken. In één woord, aan de gansche zuidzijde der stad had een onophoudelijk gegons plaats,

Een gelijke, ofschoon kleinere verzameling van tenten was aan t nederSeslagen op de opene plaatsen, welke

• i 0f'-0?1 1 sti»1 destijds te gebruiken, van den Houte, dat toen niet minder dan tegenwoordig den roem waardig was, welken het door geheel Holland verkregen had, wegens

Sluiten