Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't welk zich den schijn van deftigheid wilde geven en evenals een ekster naar hen toe kwam trippelen, ,'t is zeker, dat volgens het Privilege van Koning Willem niemand binnen den banne van Haarlem een mes mag dragen op een boete van tien pond, waarvan

de helft aan den

„Zoudt ge mij mijn mes willen ontnemen?" riep de Fries, het heft met kracht omvattende.

„Rebellie tegen art. 15 van het Privilege," kraaide het kleine mannetje, tevens met een ontsteld gelaat achteruitwippende: „al wie

het mes trekt binnen de stad Haarlem ofte derzelver "

„Ik weet van geen Privilege," riep de Fries, zijn mes half uittrekkende: „hier is mijn Privilege."

„In den stok met hem! — Te water met den muiter! — Dienaars hier! — 's Graven vrede!" riepen terstond een verwarde menigte stemmen, waaronder die van het zwarte ventje zich onderscheiden liet: — en de zooeven nog rustige en vroolijke kring leverde een tooneel op van onrust en verwarring. De kinderen klommen verschrikt op de stellage en in de boomen of hielden zich aan de moeders vast: de vrouwen drongen zich beangst tegen haar mans, broeders of vrijers aan of poogden zich te verwijderen: de mans hielden zich deels bevreesd op een afstand; deels hieven zij hun stokken of vuisten op om den Fries te lijf te gaan en hem zijn mes te ontweldigen.

Dit was echter geen gemakkelijk werk. Bij de eerste bedreiging had de jongeling zich schrap gesteld, zijn mes met de rechterhand op de hoogte van het aangezicht brengende ten einde allen aanval af te wenden en met de linkerhand het meisje van zich afwerende, dat hem wilde tegenhouden. Niemand der omstanders durfde hem van voren braveeren; doch sommigen poogden hem van achteren te bespringen en zijn arm te grijpen. Zoodra hij dit bespeurde, draaide hij zich om. Sneller dan de gedachte beschreef zijn arm een halven cirkel en gleed zijn mes in 't voorbijgaan langs de aangezichten en kleederen zijner bespringers, onderweg eenige aan dezen toebehoorende lappen vleesch en laken en een gedeelte des hoeds van het kleine mannetje medenemende. Door deze beweging vond zich de Fries teffens met den rug tegen het theater des kokeiers geplaatst, zoodat hij althans naar zijn en elks meening van achteren gedekt stond; doch hij was daardoor ook afgescheiden van zijn gezellin, die in de algemeene verwarring van hem verwijderd werd, zich nu, weerloos klagende, in een bedrukten toestand tusschen vreemdelingen bevond en vergeefs onder angstig gekerm om haren vriend Feiko riep.

Maar Feiko was niet in staat haar te hulp te komen, daar hij

fenoeg te doen had om zich tegen de volksmassa te beschermen, ie hem nu op alle wijze bestoken kwam. Geen van hen dorst hem echter van nabij aanvallen, toen op eens de koddebeier, die de eerste aanleiding tot den twist gegeven had, door de omstanders, die hij rechts en links van zich afstootte, heen drong en zich vlak tegenover den Fries plaatste.

Sluiten