Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denken meer aan: reeds had het zwaard van Adeelen bloed doen vloeien; en het volk, op dat gezicht verbitterd, had de vrees voor do wraakzucht doen zwijgen: van alle zijden drong men aan op den edelman en op Feiko, die aan Walger zijn kodde had ontrukt en wakker in het rond sloeg: — en beiden waren misschien de slachtoffers van dezen ongelijken strijd geweest, zoo de aankomst van eenige nieuwe personages daaraan geen spoedig einde gemaakt had.

De nieuwaangekomenen waren twee edellieden uit het gevolg van Graaf Willem, met name Reinout en Deodaat van Verona, die met eenige dienaars en stalknechts uit Haarlem kwamen aangereden, alwaar zg een boodschap voor hun Heer hadden volbracht. De plek waar het gevecht voorviel, lag niet volkomen in hun weg; doen zij hadden aan den ingang van den Hout de troostelooze Sytsken ontmoet, die van verre was blijven staan, toen Adeelen en Feiko den strijd begonnen waren, en nu, hun gevaar bespeurende, op het hoefgetrappel was toegesneld, ten einde de hulp der ruiters in te roepen. Beide de edellieden waren jong en minnaars van het avontuurlijke: zij toefden dus niet om aan het verzoek van het bevallige meisje een gunstig oor te verkenen, en togen in vollen ren naar de kampplaats. Hier kwamen zij juist intijds. Adeelen was door middel van een haak omvergerukt, en een uit het volk stond reeds gereed om hem met zijn eigen dolk te doorboren, toen Deodaat, het gevaar ziende, waarin de Fries verkeerde, zoo heftig tegen den poorter aanreed, dat deze achterovertuimelde, terwijl Reinout, zijn paard midden tusschen het volk drijvende, in de stijgbeugels oprees en met kracht uitriep: „pais en vree, gespuis van den Satan! niemand verroere zich, of het zal hier zwaardslagen regenen zoo dicht als hagel! Wat doet gij hier, schelm van een boschwachter?" vervolgde hij, zich tot Walger keerende: „zoo de Graaf verneemt dat gij, in plaats van op boomschenders en stroopers te passen, u hier in twisten steekt tusschen poorters en vreemdelingen, zal het er slecht met u uitzien."

„'t Is die schoelje, die oorzaak van alles is," bromde Walger, op Feiko wijzende.

„Is het de wil van den Graaf," vroeg Adeelen, die opgestaan was en hijgende op zijn zwaard stond te leunen, „dat men Fneslands afgevaardigden en hunnen dienaars smaadheden aandoe?"

„Wanneer Frieslands afgevaardigden rebellie plegen," balkte Claes Gerritsz, „dient art. 16 van het Privil "

„'tls geen schrale marktschrijver die het in allen gevalle ten uitvoer moet leggen," zeide Reinout, den voorvechter der Privileges in de rede vallende.

„Neen heer Ridder!" riep de Onderschout, die, met een gelaat zoo rood als een kalkoensche haan, zweetende en blazende kwam aangeloopen: „maar wanneer mijne dienaars 's Graven vrede opleggen, behoort die te worden in acht genomen: en het is mijn plicht nier alle twistzoekers in bewaring te nemen."

„Neem dan den aap van den kokeier in bewaring," zeide Feiko, „want die is de oorzaak van al de opschudding."

Sluiten