Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor hem geplaatst was: want het was noen, en de gewone tijd om net middagmaal te gebruiken reeds aangebroken: men wachtte slechts

op Adeelen, en de Abt, die in zijn convent niet gewoon was naar iemand te wachten, vond zich hooglijk geraakt en ontevreden, dat er nog met het maal geen aanvang kon gemaakt worden. Maar ook bij weerhield zich lang eer hij zijn gedachten uitte, het onvoegzame beseffende, dat hij, een geestelijke, de eerste zijn zou om te klagen over een vertraging, welke zijn wereldlijke ambtgenoot alsnog met gelatenheid verduurde.

Eindelijk werd de beproeving te sterk voor het geduld des vromen mans: „ik weet niet," zeide hij, „of de regelmatigheid, aan welke ïK. in mijn klooster gewend ben, mij heden in de war brengt; maar mij dunkt, onze vriend had reeds te huis moeten zijn. Hij wilde slechts even een wandeling doen door den Hout, om zijn eetlust wat op te wakkeren, die echter geene buitengewone vermoeienissen noodig neeft om goed te zijn: en ziedaar! het is reeds anderhalf uur geleden, dat hij uit is en uitblijft. Het is hem zeker ontschoten, dat de spijze nïet deugt, wanneer zij te koud of te gaar is."

» "f zouden iemand kunnen uitzenden om hem aan de klok te herinneren, zeide Aylva: „ik heb Feiko hedenmorgen verlof gegeven, om naar Haarlem te gaan: wellicht heeft hij onzen ambtgenoot ont-. moet. en een zilveren fluitje, dat om zijn hals hing, aan den mond zettende, blies hij een paar schelle noten.

Een dienaar verscheen.

,Waarom komt Feiko niet, wanneer ik fluit?" vroeg Aylva met eenüje ontevredenheid.

„Feiko is hedenmorgen met Sytsken uitgegaan," was het antwoord: ,en geen van beiden is nog terug."

»'t Is vreemd!" hernam de Olderman: „Feiko is anders niet gewoon, misbruik te maken van mijn goedheid."

„En is Seera Van Adeelen ook nog niet terug?" vroeg de Abt haastig: „ t schijnt dat wij vandaag niet zullen eten."

„Het zou zeker onaangenaam zijn te moeten wachten tot de Jonker van zijn ^wandeling ware teruggekeerd, maar erger nog ware het, mdum wh ons zonder hem naar den Graaf moesten begeven."

„Erger!' herhaalde de Abt: „ik zie niet, mijn waarde Heer! met welken grond gij dit erger kunt noemen. Het ware gewis te wenschen, indien die woeste knaap, die nimmer gelijk gij of ik in de gelegenheid is geweest met Vorsten en Heeren om te gaan, stil te j®®. ™ gelaten worden en zich nooit behoefde te vertoonen aan dit hof, waar zijn plompheid en woelzucht ons van gedurige schaamte zal doen blozen, zoo zij ons niet in ongeval brengt."

• T™1* van ^e^en longen volzin te hebben uitgesproken, schonk zien de Abt een vollen beker in uit de kan met Rijnwijn, die voor liem stond: en dien aan den mond brengende, lichtte hij hem er niet af dan nadat hij den ganschen inhoud in zijn maas had overgegoten. J °

,'t Ware toch misschien voorzichtigst," zeide Aylva, „een pa»r dienaars uit te zenden, om onzen ambtsbroeder op te sporen: hij

Sluiten